donderdag 12 juli 2012

Minox 35 GT


Mijn eerste camera was een Minox 35 GT. Ik heb altijd een voorkeur voor compacte camera's gehad en kleiner kleinbeeld bestond niet, bovendien zat er een heel goede lens op. Het was misschien niet de meest ideale camera om mee te leren fotograferen maar het was er wel één die je altijd bij je kon hebben. Hij was net zo groot als een pakje sigaretten en daar werd gewoon mee geadverteerd want roken kon toen nog.
Het was een mooi strak ontwerp, Duits en doelmatig, er zat niets teveel op. Bovendien had Vincent Mentzel er één, en Prins Claus ook, meer argumenten had ik niet nodig.  
Toen jaren later de PX 27 batterijen niet meer verkocht mochten worden raakte de Minox een beetje op de achtergrond. Als camera om altijd bij je te hebben voldeed een Olympus µ[mju;] ook. Maar een tijdje terug kwam ik mijn Minox weer tegen en kreeg ik weer zin om er mee te gaan fotograferen. Het batterijprobleem bleek vrij eenvoudig op te lossen met twee CR 1/3 N batterijen en wat plakband.


Minox was vooral bekend als fabrikant van spionagecamera's, in de jaren '30 ontworpen door Walter Zapp in Riga. Deze camera's waren iets groter dan een aansteker en produceerden negatieven van 8x11 mm. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie naar Duitsland overgebracht en werd de camera verder ontwikkeld.
In het begin van de jaren '70 richtte Minox zich op een breder publiek, eerst met een camera voor 110-cassettes en in 1974 met een kleinbeeldcamera; de Minox 35 EL, de kleinste kleinbeeldcamera ooit gemaakt.
De behuizing was van Makrolon, met glasvezel versterkt polycarbonaat, met binnenin net genoeg ruimte voor een kleinbeeldcassette, een lensje en een opwikkelspoel. De lens zat achter een deurtje en kwam naar voren als je dat omlaag klapte. Dan stond de camera aan en kon je fotograferen.
De lens was een Color-Minotar 1:2.8 35 mm, een door Minox zelf ontworpen objectief van het Tessar-type. Scherpstellen gebeurde met de frontlens, de afstand moest je zelf instellen. Het diafragma kon je zelf kiezen, de belichting werd door de camera bepaald.
De vraag naar de Minox 35 EL overtrof de verwachtingen van de fabrikant al waren er in het begin wat problemen met de lichtdichtheid van het Makrolon. Kwestie van te weinig kleurstof. Dat werd met zwarte lak opgelost.
Minox 35 EL met zwarte lak, service gegarandeerd door de firma Odin.
Na de EL volgde in 1979 de GL met als extra een tegenlicht-correctie (2x) en in 1981 volgde de GT waar een zelfontspanner aan was toegevoegd.Na de Minox 35 GT verschenen er nog meer varianten waaronder een versie met volledige programma automaat, de PL, een variant met vaste flitser, de PE, en een goedkopere versie met eenvoudiger lens die ook in het wit verkrijgbaar was, de AL.
Maar het meest succesvolle model was toch de GT waarvan er meer dan 650.000 exemplaren zijn verkocht.


Het enige probleem was dat de oorspronkelijke batterij, de PX 27, niet meer verkocht mocht worden. Minox zelf had dit opgelost door de latere modellen te laten werken op twee CR 1/3 N batterijen. Voor de oudere modellen was een adapter leverbaar, dit was niet veel meer dan een kunststof hulsje waar de twee batterijtjes in pasten zodat ze geïsoleerd waren van de binnenkant van de batterijvak dat volledig van metaal was.

Zellf heb ik dit probleem opgelost door de twee nieuwe batterijtjes met schilderstape aan elkaar te plakken. Samen waren ze nauwelijks langer dan de oorspronkelijke PX 27 maar wel wat dunner. Met een paar extra lagen tape was dit opgelost. De batterijen waren geïsoleerd en ze rammelden niet meer. Na meer dan tien jaar deed de Minox 35 GT het weer.


Fotograferen met de 35 GT is niet moeilijk maar je moet wel opletten dat de afstand tot het onderwerp goed is ingesteld, een kwestie van goed inschatten of op een andere manier houvast zoeken (tegels tellen).
Daarbij kan de keuze voor een klein diafragma helpen, met de 35mm lens heb je dan al snel een acceptabele scherptediepte. Het diafragma kan ook gebruikt worden om een acceptabele belichtingstijd te bereiken en bij tegenlicht kan je de belichtingstijd verdubbelen met de tegenlichtcorrectie.
Verdere manipulatie van de sluitertijden kan volgens de gebruiksaanwijzing door de ISO-waarde anders in te stellen maar die moet je dan wel weer op tijd terug zetten.
Een extra mogelijkheid is gebruik maken van de flitssynchronisatietijd, bij de GT is dat 1/125e seconde en die wordt automatisch ingesteld als er een flitser in het flitsschoentje wordt gestoken, ook als de flitser niet aan staat. Daarvoor zit er in het flitsschoentje een schakelaartje. Het originele afdekkapje heeft twee uitsparingen zodat de automaat blijft werken als dit in de flitsschoen zit, ook achterstevoren. Steek je hier iets anders in dan belicht de camera alles op 1/125e seconde en kan je zelf een passend diafragma kiezen.
Bij lange sluitertijden kan je een speciaal Minox-statiefje met draadontspanner gebruiken maar dit was, net als de meeste accessoires niet echt goedkoop, wel mooi.


Mijn eerste testfilm, Ilford HP5+, was wat zwaar belicht maar met een ISO-instelling van 250 in plaats van 400 zagen de negatieven er al een stuk beter uit. Misschien kwam dit door het spanningsverschil tussen de nieuwe en de oude batterij. Verder was er weinig op aan te merken en ik kon nog steeds aardig afstanden schatten.
De Minotar tekent mooi scherp en geeft een stevig contrast, precies wat je van een Tessar-type lens mag verwachten. Ook de onscherpte ziet er goed uit ondanks het vrij eenvoudige diafragma van twee hoekige lamellen. Bij extreem tegenlicht heeft het lensje wat moeite met het contrast maar de scherpte blijft.






Alles bij elkaar is de Minox 35 GT nog steeds een leuke camera om altijd bij je te hebben, hij past makkelijk in je zak en zit niet in de weg in je tas. Als je de afstand goed instelt doen de resultaten nauwelijks onder voor een spiegelreflexcamera. De 35 mm lens heeft een prettige beeldhoek, een beetje groothoek maar niet te extreem en het grootste diafragma van 2.8 maakt het mogelijk ook nog bij weinig licht te fotograferen. Ik heb hem de laatste tijd weer regelmatig in mijn tas zitten.

donderdag 8 maart 2012

Yashica 44 A

Bij de kringloopwinkel stond een grijze Yashica 44 A, een kleine tweeoog-reflexcamera voor 127-film. Op de paraattas zat een sticker met 'Verzamel-item' maar het leek mij vooral een leuke camera om mee te fotograferen. Ik was wel benieuwd hoe het zou zijn om met een mini-tweeoogreflex te fotograferen dus deze mocht mee naar huis.


Niet iedere tweeoog-reflexcamera is automatisch een Rolleiflex-kopie maar de eerste Yashica 44, uit 1958, deed wel heel erg denken aan de Baby-Rolleiflex van een jaar daarvoor. Beide camera's waren voorzien van 60mm 3.5 objectieven met bajonet-1 voor filters. Beide camera's onderscheidden zich van hun grotere varianten door hun kleur; in plaats van zwart waren de camera's grijs. En in plaats van 6x6 was het  opnameformaat van beide camera's 4x4 cm, op 127-film.

De eerste 127-film werd in 1912 door Kodak op de markt gebracht, vooral voor de compacte Vest Pocket Kodak Camera. In de jaren '20 en '30 verschenen er veel meer camera's voor dit filmformaat, ook van andere fabrikanten dan Kodak, en meestal gericht op de amateur. Het merendeel bestond uit eenvoudige boxcamera's.
Eind jaren '50 beleefde de 127-film een kleine opleving. Waarschijnlijk door de groeiende populariteit van de kleurenfotografie. Dia's van 4x4 cm konden worden geprojecteerd met een normale, en voordelige, kleinbeeldprojector. Maar voor een goede dia was een eenvoudig boxje niet toereikend. De Baby-Rolleiflex en zijn  Japanse navolgers bleken hier in een behoefte te voorzien.
In de loop van de jaren '60 werd de kwaliteit van kleinbeeldfilm en camera's steeds beter waardoor het voordeel van 127-film steeds kleiner werd en de film langzaam van de markt verdween. Nu is er nog één film redelijk makkelijk te vinden en dat is de Efke R100-127, een zwart-wit film van 100 ISO.

De eerste Yashica 44 was een kleine en compacte tweeoog-reflexcamera met vrijwel dezelfde specificaties en mogelijkheden als de grotere Yashica D. Maar die was wel een stuk voordeliger. Dat was wat moeilijk te verkopen voor een merk dat vooral bekend stond om zijn gunstige prijs-kwaliteit verhouding. De oplossing was een vereenvoudigde versie; de Yashica 44 A. De lenzen waren hetzelfde (Yashikor 1:3.5  60mm) maar nu zonder bajonet. De sluiter was eenvoudiger (B 1/25-1/300), er zat geen zelfontspanner meer op en het filmtransport was teruggebracht tot een draaiknop en een rood venstertje. De 44 A was ongeveer de helft goedkoper dan de 44.
De 44 werd daarna opgevolgd door de 44 LM waarbij de ingebouwde lichtmeter en de betere lenzen (Yashinon 3.5 met vier in plaats van drie elementen) het prijsverschil rechtvaardigden. Omdat de lichtmeter na 50 jaar waarschijnlijk niet meer werkt en in ieder geval niet meer betrouwbaar is, zijn deze camera's vooral leuk voor verzamelaars. Ook omdat er naast grijs nog een aantal andere kleuren, waaronder bruin en blauw, leverbaar waren. Datzelfde gold overigens ook voor de 44 en de eerste jaren van de 44 A. Tegen het einde van de productie, rond 1965, was alleen de grijze variant nog leverbaar. Mijn Baby-Yashica was uit die laatste periode.

Thuis heb ik meteen een paar rolletjes Efke R100 besteld en daarna de camera wat beter bekeken. Aanvankelijk dacht ik nog dat het filmtransport niet werkte maar dat viel mee, in tegenstelling tot wat ik gewend was liep de film niet van onder naar boven door de camera maar andersom.


Het grootste probleem leek stof, vooral op het matglas. Dus moest de zoeker open. De zoekerschacht met matglas zat vast met vier schroeven. Daarna kon ik met een zacht kwastje de zoekerlens, de spiegel en het matglas schoonmaken. Onder de spiegel zat het mechaniek waarmee de frontplaat kon bewegen. Dat zat nog goed in het vet en voelde nog soepel aan dus daar ben ik vanaf gebleven.


Twee metalen strips aan de zijkant hielden de achterwand op zijn plaats. Voor het gemak die ook maar even losgehaald. Net als de sierringen om de lenzen. Ook daar zat stof onder.


De zoekerlens was toen wel in orde maar achter het voorste element van de opnamelens zat ook stof. Dit element was makkelijk zonder gereedschap los te draaien. Ik heb meteen de sluiter maar even open gemaakt. Het blokkeringsschroefje omgedraaid waarna ik de ring die de frontplaat op zijn plaats hield los kon draaien. De sluiter deed het nog maar ook hier zat weer een flinke pluk roestbruin stof.



 Ik denk dat het stof vooral kwam van de binnenkant van de paraattas, een soort rood fluweel. Het voordeel van een paraattas is dat een camera meestal niet heel erg beschadigd is als je hem erbij vindt. Het nadeel is dat het ding meestal in de weg zit bij het fotograferen, onhandig is bij het film verwisselen en vocht aantrekt als je de camera niet gebruikt. En een paraattas beschermt dus niet tegen stof.
De camera is ook absoluut niet stof-dicht, overal zitten openingen waardoor stof en vuil makkelijk in het binnenwerk kan komen. Via de sluiter en het diafragma ook tussen de elementen van de opnamelens. Dat heb ik zo goed mogelijk met een blaaskwastje weggeblazen.


Daarna heb ik ook de transportknop nog even losgemaakt. In het grijze deksel zaten twee kleine gaatjes, met twee houten prikkertjes kon ik dit deksel losdraaien en daarna de knop losschroeven. Ook hier weer bruin stof.
Voordat ik alles weer in elkaar ging zetten heb ik de hele camera met een vochtige doek schoongemaakt. Toen zag het geheel er al een stuk frisser uit.

Ik was vooral benieuwd hoe het zou zijn om met deze compacte tweeoog-reflexcamera te fotograferen en dat viel eigenlijk niet tegen. Er is niet zoveel verschil met een normale tweeoog-reflex maar het gewicht is minder terwijl de camera ook weer niet zo klein is dat het onhandig wordt. Ook het matglas is nog groot genoeg om leker te kunnen werken al is het wat aan de donkere kant.





De foto's zagen er aardig uit al is één film op een bewolkte zaterdagmiddag een beperkte test. In de hoeken is er sprake van flinke lichtafval en ook de scherpte loopt daar flink terug, veel meer dan bijvoorbeeld bij de Yashica D. In het midden is het beeld redelijk scherp en contrastrijk. En het beeld ziet er lekker ouderwets uit. Dat laatste kan natuurlijk ook door de film komen, ik heb nog te weinig ervaring met Efke R100 om daar al teveel conclusies uit te trekken. Ik ben al blij dat er nog een 127-film leverbaar is. Maar daar ligt ook meteen het grootste minpunt, er is maar één soort film leverbaar. Dat maakt dat het niet echt een praktische gebruikscamera is. Het blijft een leuke camera, vooral op de plank naast zijn grotere broers. Maar dan wordt het toch meer een verzamel-item.


donderdag 2 februari 2012

Compur sluiter

Ik heb pas geleden een oude Tessar-lens in een slecht werkende Compur-sluiter gekocht. Ik weet nog steeds niet of het een combinatie van hebberigheid en technische zelfoverschatting was of van nieuwsgierigheid en naïviteit maar ik had het idee dat ik de sluiter wel weer op orde zou krijgen. Dat er op de kast met fotospullen een bordje "50% korting" stond hielp natuurlijk ook mee.


De lens was een Carl Zeiss Jena Tessar 1:4,5 f = 16,5 cm uit 1927, de Compur-sluiter was een jaar ouder. Het was de vroege versie met een sluitertijdenknop nog bovenop met tijden van 1 tot 1/200e seconde. Bij latere modellen, na 1927, kon de sluitertijd ingesteld worden met een ring die rondom de sluiter zat. Dat was waarschijnlijk een nauwkeuriger en betrouwbaarder oplossing. In dit geval werkte de knop in ieder geval niet meer; bij elke instelling was de sluitertijd hetzelfde.
Op de sluiter zat ook nog een afgebrokkeld blokje bakeliet waarvan de functie mij niet helemaal duidelijk was. Misschien had het iets te maken met het ontbreken van de aansluiting voor een draadontspanner maar het was in ieder geval niet origineel.

Om er achter te komen waarom hij niet meer werkte moest de sluiter open. Dat betekende dat het objectief er af moest. Zowel het voor- als het achter-element was zonder speciaal gereedschap los te draaien.


Daarna moest de sluitertijdenknop los. Die zat vast met één schroefje, daaronder een paar ringetjes, de knop zelf, twee metalen schijfjes en een afdekplaatje. Het grootste metalen schijfje heeft een onregelmatige vorm en duwt bij het draaien een pennetje meer of minder opzij en bepaalt zo de vertragingsfactor van de sluiter.


Het handeltje om de sluiter te spannen zat vast met 3 kleine schroefjes en moest ook los. De frontplaat van de sluiter zat vast met drie verschillende schroeven; rechts een lange schroef, links, in de ontspanknop, een klein schroefje en daarboven een iets grotere waarmee ook de knop om tijd- balg en momentopname te selecteren op zijn plaats gehouden werd.

Hoewel de onderdelen van de sluitertijdenknop al redelijk roestig waren zag het binnenwerk er toch nog slechter uit dan ik had verwacht (of had gehoopt); vet, vuil en roestig. Even schoon borstelen was niet voldoende, er zat niet veel anders op dan alle onderdelen één voor één los te halen en schoon te maken.
Hoe de sluiter precies werkte wist ik niet dus ik heb alle onderdelen die ik los maakte uitgebreid gefotografeerd om later te kunnen zien hoe alles weer terug in elkaar gezet moet worden. Ik ben voorzichtig met de bovenste onderdelen begonnen en zo langzaam steeds verder gegaan.


De roestige onderdelen heb ik schoongemaakt met chroom-reiniger, daarmee verdween de meeste aanslag. Het voelt een beetje aan als Jif dus heeft het waarschijnlijk een licht schurende of polijstende werking. Dat betekende niet dat alles er weer als nieuw uit ging zien maar het was duidelijk een verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.


Een paar onderdelen, zoals de veer, heb ik laten zitten omdat ik die zo ook schoon kon maken en ik wilde het mij niet onnodig ingewikkeld maken. De sluiterlamellen moesten nog schoon want daar zat ook roest en aanslag op. Deze lamellen zaten aan de achterkant van het frame waarop de rest van het mechaniek zat en het geheel werd op zijn plaats gehouden door vier schroefjes aan de achterkant van de behuizing.


Twee van de lamellen zaten vast met een schroef, de andere twee zaten los. Die kunnen er dus makkelijk uit vallen en dan is het even zoeken hoe ze over en onder elkaar geschoven moeten worden. Als ze niet goed zitten sluiten ze niet volledig en kunnen de lamellen beschadigen.
Onder de sluiter zat nog het diafragma, met dertien lamellen, maar dit hoefde gelukkig niet verder gedemonteerd te worden, een beetje borstelen was voldoende om alles weer soepel te laten bewegen.


Uiteindelijk lag de tafel vol met onderdelen en kon ik beginnen om alles weer terug in elkaar te zetten. Daarbij heb ik, aan de hand van de foto's, de omgekeerde volgorde aangehouden van de de demontage.
Toen alles weer in elkaar zat heb ik de sluiter gespannen en geprobeerd, eerst op 1 seconde, daarna een halve seconde en zo door tot 1/200e seconde. Wat er mis was weet ik nog steeds niet en hoe de sluiter precies werkt weet ik ook nog steeds niet helemaal, maar hij doet het weer.




zaterdag 31 december 2011

Kodak Baby Brownie

De naam Brownie werd door Kodak over het algemeen gebruikt voor zeer eenvoudige box-camera's gericht op een groot publiek. Daarom zijn ze uit technisch oogpunt niet bijzonder interessant. De lens is meestal een eenvoudige meniscus, de sluiter kent maar één tijd , er is één diafragma beschikbaar en er is een knop om de film te transporteren. Veel ingewikkelder werd het meestal niet. Toch zijn er miljoenen camera's met de naam Brownie geproduceerd, de eerste rond 1900 en de laatste in de jaren '80.

De eerste Brownie's waren van hout en karton, later van metaal. De Baby Brownie was de eerste camera van kunststof, in dit geval bakeliet. Dit maakte het mogelijk om camera's een andere dan de traditionele doos-vorm te geven. Al in de jaren '20 was Kodak samen gaan werken met de ontwerper Walter Dorwin Teague.
Hij heeft een aantal camera's ontworpen die door hun art-deco vormgeving een groter en breder publiek moesten aanspreken, de Baby Brownie is er één van. De bedoeling van Kodak was natuurlijk om meer camera's en daardoor meer films te verkopen. Tegenwoordig heet dat Design.


De Baby Brownie is ontworpen in 1934 en is een mooi afgerond bakelieten doosje met rond de lens een aantal verticale ribbels die rondom de camera doorlopen. De achterkant is enigszins gebogen om de ergste beperkingen van het lensje te compenseren. Bovenop het boxje zit een uitklapbaar raamzoekertje en een transportknop. De ontspanknop zit midden onder de lens. Op één film gaan 8 opnames van 6 x 4 cm.
In de Verenigde Staten werd de Baby Brownie geproduceerd tot 1941 en na de Tweede Wereldoorlog heeft de Engelse Kodak-fabriek deze camera ook nog een aantal jaren geproduceerd (1948-52). De Baby Brownie die ik gevonden had kwam uit Engeland. Het was de export-versie uit 1951 die als extra een knopje had om tijdopnames te maken.


Misschien is eind-december niet de meest geschikte tijd om deze camera te proberen. Box-camera's zijn vooral mooi weer camera's en de enige 127-film die nog te vinden is heeft een gevoeligheid van ISO 100. Met een vast diafragma 16 zijn de mogelijkheden dan beperkt. Daar staat tegenover dat de amateur uit 1951 het daar ook mee moest doen.

Het meest praktische aan de Baby Brownie is zijn formaat, je steekt hem makkelijk  in je jaszak als je even je handen vrij wilt hebben. Daarnaast heeft de camera ook een paar minder praktische kanten. De raamzoeker is niet nauwkeurig en geeft veel te weinig beeld. De ontspanknop zit op een onhandige plaats en de transportknop zit te dicht bij de zoeker.
Het voordeel van de mogelijkheid om een tijdopname te maken is ook maar beperkt omdat de camera geen statiefaansluiting heeft. Het valt niet mee om met één hand de camera stil op de rand van een bloembak te houden en met je andere hand de sluiter 15 seconden lang open te houden.


Het ontwikkelen van de film is ook een ervaring op zich. De drager van Efke-film is zo stug dat die maar met veel moeite in een ontwikkelspoel is te krijgen en te houden zonder de emulsie te beschadigen. De film krult heel sterk en bleek uiteindelijk ook niet helemaal strak door de camera te zijn gegaan. Aan de bovenkant is het kader van de negatieven gegolfd, daar heeft de film dus niet vlak gelegen. De scherpte is daar in ieder geval niet optimaal maar eigenlijk is ze dat nergens. Zoals gebruikelijk bij een meniscus-lens is het beeld eigenlijk alleen in het midden min of meer scherp. Het gebogen filmvlak compenseert de onscherpte naar de randen maar gedeeltelijk en in de hoeken is de scherpte ronduit slecht.


De Baby Brownie is dus geen praktische camera en een scherpe foto maken lijkt nauwelijks mogelijk. Toch zijn er ooit miljoenen van verkocht. Waarschijnlijk is het aantrekkelijke uiterlijk daarbij een belangrijke factor geweest. Wat dat betreft was het geen gek idee van Kodak om een ontwerper in te huren. Het resultaat is een leuk cameraatje voor op de plank, er mee fotograferen is eigenlijk zonde van de film.

zaterdag 27 augustus 2011

Lubitel 2


Er bestaan nogal wat vooroordelen ten opzichte van Russische camera's en de meeste zijn waar. Het uitgangspunt  was vaak "geleende" technologie die zich in het buitenland reeds bewezen had. De manier waarop deze werd toegepast was het beste te omschrijven als eigenzinnig. Eén voorbeeld daarvan is de Lubitel, gebaseerd op de Voigtländer Brillant uit de jaren '30.
Daar waar Voigtländer zich na de oorlog vooral concentreerde op de ontwikkeling van kleinbeeldcamera's werd er in Rusland nog stug verder gewerkt aan het concept van de 6x6 amateurcamera. Het verschil in benadering had misschien te maken met de tegengestelde economische systemen van dat moment maar een andere reden kan zijn dat een groot deel van de productiemiddelen als "herstelbetaling" naar de Sovjet-Unie was verdwenen.



De eerste Russische Voigtländer-variant verscheen in ieder geval in 1946 als Komsomolet, een eenvoudige pseudo-tweeoog-spiegelreflex, vooral bedoeld voor de jonge communisten. In 1949 volgde de Lubitel, door de koppeling van opname- en zoekerlens een eenvoudige maar echte tweeoog-spiegelreflex. In 1954 gevolgd door de Lubitel 2, een verbeterde versie met zelfontspanner en flitssynchronisatie. De Lubitel 2 bleef tot begin jaren '80 in productie, zijn opvolger, de Lubitel 166 met dezelfde techniek maar in een modernere behuizing, bleef zelfs tot midden jaren '90 in productie.

Lubitels zijn leuke en eenvoudige camera's om mee te werken. Door het grote negatiefformaat zien de foto's er al snel goed uit en over het algemeen zijn de camera's niet al te duur. Mijn Lubitel 2 uit de late jaren '60, inclusief lensdop en stugge kunstlederen tas met Lomo-logo, zag er nog goed uit en kostte €20. De sluiter en de zelfontspanner deden het nog prima maar na de eerste test leek de scherpstelling niet meer helemaal in orde.

De zoeker- en opnamelens zijn via een tandwieloverbrenging met elkaar gekoppeld. Deze tandwieloverbrenging kan soms een paar tandjes verschuiven. Hoe weet ik niet. Als ik het probeer lukt het me niet maar het gebeurt soms onverwacht als ik aan het scherpstellen ben. Misschien is het slijtage of het valt binnen de tolerantienormen van de Sovjet-industrie. Als het gebeurt zijn de beide lenzen niet meer nauwkeurig op elkaar afgestemd en kan je niet meer zorgvuldig scherpstellen.



Om de lenzen opnieuw te kalibreren moet de gekartelde ring om de opnamelens los, deze zit met 3 kleine schroefjes vast.



De ring rond de zoekerlens wordt met maar één schroefje op zijn plaats gehouden. Dit hoeft alleen los als de afstanden op de ring niet overeenkomen met het beeld op het matglas. Als het beeld op het matglas scherp is op oneindig en de afstandaanduiding geeft dat ook aan dan kan dit schroefje weer vast.



Om de scherpstelling van de opnamelens te kunnen controleren heb ik een "matglas" gemaakt van transparant papier en dit met plakband op de plaats van het filmvlak geplakt. Voor het gemak heb ik de achterwand los gehaald, die wordt maar door één los staafje op zijn plaats gehouden. Daarna de sluiter op B ingesteld en met een draadontspanner geopend en vastgezet. 



Het opname-objectief is een triplet met frontlensscherpstelling, door een beetje met deze lens te draaien wordt het beeld op het matglas scherp. Wanneer een onderwerp in de verte scherp is op het matglas en in de zoeker (op oneindig) dan staan de lenzen weer goed. Daarna heb ik de ring om de opnamelens weer op zijn plaats gezet zonder de lenzen ten opzichte van elkaar te draaien en voorzichtig de schroefjes  weer vastgedraaid. Toen de achterwand weer op zijn plaats zat was de camera klaar om te proberen.

De foto's waren scherp, in ieder geval in het midden van het beeld. Naar de randen toe werd de scherpte wat minder en ook het contrast nam af. Bovendien vertonen de hoeken wat lichtafval. Wat dat betreft is deze lens niet te vergelijken met andere lenzen met een Duitse oorsprong maar de foto's zien er wel lekker ouderwets uit.
Als je geen al te hoge eisen stelt en je een beetje geschikte onderwerpen uitzoekt dan kan je met een Lubitel voor een paar tientjes hele leuke foto's maken.



vrijdag 25 maart 2011

Brownie No 2 model C (1913)

Op zolder lag nog een Kodak Brownie No 2 (model C), die ooit, rond 1913, door mijn grootvader was gekocht toen hij in Amerika woonde. Het was op zich geen bijzondere camera; een zwarte kartonnen doos met een eenvoudige lens en sluiter. Maar deze camera was voor mijn opa wel het begin van een hobby die hij de rest van zijn leven met volle overgave zou beoefenen.


Niet iedere camera is ontworpen om goede foto's te maken. Veel Box-camera's, met name van Kodak, waren vooral bedoeld om veel films te verkopen. Onder de juiste omstandigheden kon er nog een redelijke foto uit komen maar de nadruk lag op eenvoud en bedieningsgemak. De consument moest vooral veel foto's maken. Bij Kodak werden deze eenvoudige en goedkope camera's verkocht als Brownie.

De eerste Brownie werd in 1900 door Kodak gemaakt, daarna volgden nog talloze varianten. De eerste jaren van karton, vanaf de jaren '30 van metaal en na de Tweede Wereldoorlog vooral van kunststof. Er zijn Brownie's gemaakt voor allerlei verschillende formaten rolfilm; 116, 117, 120, 124 en 127 en later 616 en 620, de door Kodak zelf geïntroduceerde varianten van 116 en 120 film die vooral bedoeld waren om meer eigen films te verkopen.

In de loop der jaren zijn er meer dan honderd verschillende modellen gemaakt en meestal in enorme aantallen, niet alleen in Rochester, de thuisbasis van Kodak, maar ook in fabrieken in Canada, Duitsland, Engeland en Frankrijk. In 1921 waren er alleen al van de No 2 meer dan 2,5 miljoen stuks verkocht. Wat dat betreft is de Brownie van mijn opa niet echt een zeldzame camera.


Ik had het idee dat deze Brownie al meer dan vijftig jaar niet gebruikt was dus voordat ik er een filmpje in deed wilde ik eerst alles nakijken en schoonmaken. De constructie van de camera was vrij eenvoudig; een koker van karton met daarin een plankje waar de lens in en de sluiter op zit. De frontplaat is een soort metalen deksel. Dit zat al los zodat de sluiter makkelijk te bereiken was.


Om de lens goed schoon te kunnen maken moest de sluiter open staan maar omdat deze qua constructie zo eenvoudig is heb ik het hele mechaniek, inclusief diafragma's en de blokkering voor tijdopnames, los geschroefd. Omdat het plankje toch al los zat heb ik dat er ook maar uit gehaald zodat ik makkelijker bij de lens en de zoekertjes kon.


De zoekertjes zaten allebei met een schroefje vast. De lens hoorde met een ringetje in een metalen buisje vast te zitten maar het ringetje zat los en de lens zat scheef. Het leek er op of er al eerder was geprobeerd hier iets aan te doen, maar zonder succes. Met een beetje gepruts en proberen lukte het om alles weer op zijn plaats te krijgen zonder de lens te beschadigen.


Ik heb de lens en de zoekertjes zo goed mogelijk schoon gemaakt voor ik het plankje met een beetje houtlijm weer vast op zijn plaats heb gezet. Alle metalen onderdelen zijn dun en voor zover ze verbogen waren heb ik ze weer zo recht mogelijk gemaakt, daarna alles op zijn plaats geschroefd waarna het tijd werd om een film in te leggen.

De lens heeft een brandpuntsafstand van 112 mm waardoor de camera iets langer is dan de gemiddelde box en de aanloopstrook van een normale 120 film iets te kort lijkt, maar dat viel mee. Bij de eerste testfilm kwamen wel twee andere problemen aan het licht; de sluiter bleef af en toe hangen en de achterwand sloot niet lichtdicht af. Dat is geen nieuw probleem want het is ook al zichtbaar op oude negatieven die mijn opa heeft gemaakt.

De inmiddels verdwenen zeepfabriek van T. P. Viruly & Co. te Gouda,
eind jaren '20 gefotografeerd met dezelfde camera.
Het probleem met de sluiter was opgelost nadat de tijdopnameblokkering iets rechter was gebogen. Het probleem van de lichtlekken heb ik opgelost door een maskertje van zwart papier om de achterkant van de filmhouder te doen. Omdat het rode venstertje grotendeels verdwenen was heb ik hier meteen een stukje rood filter in gezet zodat dit ook geen probleem meer was.


Voor zover te overzien komt het zoekerbeeld redelijk overeen met het uiteindelijke negatief maar de kleine zoekertjes zijn erg onduidelijk, vooral aan de rand, en het beeld is gespiegeld. Dat maakt het wat moeilijk via de zoeker goed te kaderen en de camera goed recht te houden. Maar omdat er verder weinig is om in te stellen kan je je daar volledig op concentreren.


De lens is een meniscus met als grootste diafragma f /16 en deze heeft alle lensfouten die bij dit eenvoudige ontwerp horen. Het contrast is laag, de scherpte in het midden is al wollig en naar de hoeken toe wordt het alleen maar erger. Buiten het midden worden punten vlekjes en de randen zijn gewoon onscherp. En dat terwijl het uiteindelijke beeld eerder 6x8 dan 6x9 cm is. Onderwerpen op een afstand van 3 tot 30 meter zijn min of meer scherp zolang ze in het midden van het beeld staan.


In de tijd dat de meeste foto's nog contactafdrukken waren was dit geen onaardige camera. Voor echte vergrotingen was de scherpte van de lens niet toereikend. Bij weinig licht was het helemaal behelpen, zeker met de laaggevoelige films van 100 jaar geleden, maar bij mooi weer kon je een leuk snap-shot maken.