maandag 16 maart 2015

Zeiss Ikon Ikoflex Ib (856/16)



Vanaf het moment dat ik deze Ikoflex uit een doos fotografica te voorschijn zag komen begon ik argumenten te verzinnen waarom ik deze camera absoluut nodig had. Uiteindelijk heb ik hem gekocht omdat ik hem mooi vond, van ontwerp, maar ook vanwege de staat waarin de camera verkeerde. Weinig gebruikssporen en met de originele tas, zonnekap en lichtmeter.
Het idee om deze Ikoflex uit 1957 te vergelijken met de 20 jaar oudere Ikoflex II die ik al had was minder doorslaggevend maar het speelde wel mee.


De Ib was één van de latere modellen van de Ikoflex en deze uitvoering was het eenvoudigste en goedkoopste model, voor zover je bij Zeiss Ikon van goedkoop kon spreken. De lens was een Novar-Anastigmat 1:3,5 f = 75 mm in een Prontor SV sluiter met een snelste tijd van 1/300e seconde. Er was ooit ook nog een versie leverbaar met een Tessar objectief en er was de meer geavanceerde Ikoflex IIa, ook met Tessar en een Synchro-Compur sluiter, maar die was veel duurder.
De vormgeving van deze camera's was een stuk soberder dan van de Ikoflex uit 1937, minder chroom en meer zwart. De camera's gaven meer de indruk één geheel te zijn. Mooier dus.


Het eerste wat mij opviel bij deze camera was dat het matglas groter en vooral helderder was. Volgens de gebruiksaanwijzing kwam dat door de ingeslepen fresnel-ringen. Op het matglas waren ook een aantal rasterlijnen geëtst, altijd een prettig hulpmiddel om de camera recht te houden. Het spiegelverkeerde beeld maakt dat al moeilijk genoeg. De scherpstelloupe was groter en de zoeker klapte net iets makkelijker open. Bij het dichtklappen vouwde het geheel zich automatisch ineen. Bij de oude Ikoflex moest je dat nog zelf doen.

Het filmtransport was een verbeterde versie van dat van voor de oorlog. Het inleggen van de film en op 1 zetten van de teller was hetzelfde. Nieuw was dat de transportknop blokkeerde zodra de film voldoende doorgedraaid was. Pas als er een opname gemaakt was kon de film weer doorgedraaid worden, dubbelopnames waren dus niet meer mogelijk. Bij de duurdere IIa werd tijdens het transporteren ook de sluiter nog gespannen maar die luxe moest deze camera ontberen. De sluiter spannen was nog een aparte handeling.


De ontspanknop zat niet meer aan de sluiter naast de lens maar op het camerahuis. Wanneer je de camera op je rechterhand liet rusten legde je bijna automatisch je duim op deze knop. De ontspanknop kon ingeklapt worden, dan was meteen de sluiter geblokkeerd.
Bij voorgaande modellen zat de ontspanknop bovenop de camera naast de zoeker. Dat was weliswaar een creatieve oplossing maar voor mijn gevoel niet de meest praktische plaats. De Box-Tengor uit die tijd, de 55/2, had ook de ontspanknop bovenop maar ook daar werd bij het volgende model, de Box-Tengor 56/2, weer gekozen voor een meer conventionele plaatsing aan de zijkant. Overigens werden zowel de Box-Tengor als de Ikoflex gemaakt in dezelfde fabriek, de voormalige Goerz-Werke in Berlijn.


Het diafragma en de sluitertijdeninstelling zaten netjes weggewerkt in het montuur van de opnamelens. Diafragma via een schuifje aan de zijkant, sluitertijd via de instelring die in een uitsparing onder de lens te bedienen was. Beide instellingen waren af te lezen via twee kleine venstertjes in de frontplaat. Verder was er nog een schuifje voor het instellen van de flitssynchronisatie. Er was keuze uit M en X-contact, de derde optie, V, was de zelfontspanner ('Vorlauf') die naar mijn idee iets te makkelijk per ongeluk ingeschakeld kon worden.

Bij het gebruik van de grote ronde zonnekap waren de diafragma- en sluitertijdinstelling wat moeilijker af te lezen. Ook het onderste deel van het matglas werd dan wat donkerder maar dat was in de praktijk niet storend. Wat mij wel stoorde was de paraattas. Bij het fotograferen wisselt het gewicht van de camera steeds van de ene naar de andere hand. Je stelt met je linkerhand scherp, transport en ontspannen doe je met rechts. Dan is het wel prettig als er nog een extra zekerheid aanwezig is in de vorm van een draagriem. Die draagriem is een vast onderdeel van de tas dus is die tas min of meer noodzakelijk. Omdat de klep ook een vast deel van de tas is slingert die de hele tijd onder de camera heen en weer. De klep kan bij het fotograferen ook ongemerkt voor de opnamelens komen en dat is jammer.


Verder is het fotograferen met de Ikoflex vrij probleemloos. Ik had van te voren de sluitertijden gecontroleerd en wist dat de sluiter bij de snelste tijden bijna een stop ruimer belichtte. Daar kan je dan rekening mee houden. Het matglas werkt een stuk prettiger dan dat van de Ikoflex uit 1937, het beeld is niet alleen helderder, het is ook een stuk nauwkeuriger. Ook het filmtransport is veel betrouwbaarder.
Die rare scherpstel-handle uit 1937 heeft het maar een jaar volgehouden, daarna kon je gewoon scherpstellen met een draaiknop, een royaal bemeten draaiknop.


Een Novar-Anastigmat is natuurlijk een ander soort lens dan een Tessar. Eenvoudiger van ontwerp en dus goedkoper. Toch vielen de prestaties mij niet tegen. De foto's waren mooi scherp en contrastrijk, zeker in het midden. Naar de randen toe werd dat iets minder en in de hoeken werd het beeld ronduit wollig en aanzienlijk donkerder. Dat was ook niet helemaal op te lossen met een kleiner diafragma. Op zich hoeft dat ook niet altijd een probleem te zijn, het is maar zelden zo dat het hoofdonderwerp zich in de hoek van het beeld bevindt.


Waar ik vooral van onder de indruk was waren de prestaties in tegenlicht met de zon bijna of helemaal in beeld. Dat zonlicht werkte dan via de emulsie wel door in het volgende negatief maar het beeld op zich bleef aardig overeind. Bij de oude ongecoate Tessar uit 1937 zou het onderwerp al lang aan overstraling ten onder zijn gegaan. Natuurlijk speelt de coating hierbij een grote rol, maar misschien heeft het ook wel met de constructie van de lens te maken. En triplet heeft nu eenmaal minder glasvlakken dan een Tessar en dus in basis al minder kans op storende reflecties. Misschien moet ik maar eens op zoek naar een Ikoflex met een gecoate Tessar  om te vergelijken.









zondag 1 februari 2015

Zeiss Ikon Nettar 517/2


In 'Het Fotoboek' van Dick Boer (7e druk, 1954) wordt door de auteur ten zeerste afgeraden om te fotograferen met een rolfilm-balgcamera. Eén van de redenen was het gebrek aan controle op de scherpstelling. Bovendien maakte de kleine zoeker het onmogelijk om zorgvuldig en aandachtig te werken.

De beginnende amateur werd aangeraden een oude statiefcamera met groot matglas aan te schaffen. Voor de gevorderde fotograaf was er de (twee-lens) reflexcamera of de kleinbeeldcamera met meetzoeker. De gewone rolfilmcamera werd vooral beschouwd als een 'weinig plaats innemende box'.


Hoewel 'Het Fotoboek' één van mijn eerste boeken over fotografie was hebben deze aanbevelingen mij er nooit van weerhouden om met dit soort camera's te gaan fotograferen. Dat begon toen ik een jaar of vijftien was met een Zeiss Ikon Nettar 517/2. Deze camera kwam uit een doos met oude camera's van mijn grootvader. Overigens kwam 'Het Fotoboek' ook bij mijn opa vandaan.

Heel gecompliceerd was de camera niet. Het objectief was een Novar-Anastigmat 1:4,5 105mm, een triplet met frontlensscherpstelling. De sluiter was een Pronto met vier tijden (1/200e, 1/100e, 1/50e, 1/25e) en B. Het was een eenvoudige maar degelijke balgcamera voor 120-film waarmee je 8 negatieven van 6x9 cm kon maken.

De Nettar was in de jaren '50 de eenvoudigste serie rolfilmcamera's van Zeiss Ikon.
Ze waren leverbaar met verschillende objectieven en sluiters, ook voor 6x6 cm.
Daarnaast was er een serie Ikonta's, duurder en met betere lenzen en sluiters. Ook in twee formaten. Het beste, en duurste, waren de Super-Ikonta's die voorzien waren van een gekoppelde meetzoeker. Dat viel allemaal een beetje buiten het budget van mijn grootvader.


Ik denk dat deze Nettar in het midden van de jaren '50 is gekocht. In het archief van mijn opa vond ik een foto van de motortrawler VL 27 'Burgemeester Heusdens' in de haven van Vlaardingen, gemaakt met deze camera. Die foto moet in 1957 gemaakt zijn want een jaar later was het schip verkocht naar Katwijk. 
Van deze camera bestaat ook nog een identiteitsbewijs. Dat zegt niet zo veel over de aanschafdatum. Zo'n identiteitsbewijs was pas nodig als dit soort luxe goederen mee naar het buitenland werden genomen. In dit geval in januari 1959.

De productie van deze camera's was toen al een paar jaar gestopt maar Foka in Rotterdam bood deze en andere Zeiss Ikon rolfilmcamera's nog aan voor sterk gereduceerde prijzen. Waarschijnlijk om van de oude voorraad af te komen.
Kleinbeeldcamera's werden steeds beter en goedkoper en het marktaandeel van rolfilm liep sterk terug, zeker voor de amateurs, maar mijn opa bleef de rolfilm trouw.


Dick Boer had natuurlijk niet helemaal ongelijk. Een 6x9 balgcamera is niet de meest praktische camera. Ingeklapt is alles nog vrij handzaam maar zwaar (ruim 750 gram). Uitgeklapt is het een groot en wat onhandig apparaat. Wat dat betreft liggen de meeste box-camera's beter in de hand vanwege hun compactere constructie. De ontspanknop zit links en dat is even wennen en de zoeker is klein en niet al te nauwkeurig.




De vier sluitertijden en verschillende diafragma's maken het mogelijk om veel nauwkeuriger dan met een box te belichten. Het objectief is van een veel betere kwaliteit dan de lens van een boxje en er kan mee scherpgesteld worden, al blijft dat vaak een beetje gokken. Als alles mee zit komen er mooie grote negatieven uit deze camera en die zijn van aanzienlijk hogere kwaliteit dan beelden uit een box-camera.

Naar de hoeken wordt het beeld wat donkerder en ook de scherpte en het contrast worden minder maar verder is het beeld goed. Dankzij het grote negatiefformaat zijn de negatieven mooi van toonschaal en goed gedetailleerd. Daarbij is de scherptediepte kleiner, in ieder geval ten opzichte van kleinbeeld bij gelijk diafragma. Dat vereist wel zorgvuldig scherpstellen, zeker bij grote diafragma's.

Na het ontwikkelen van mijn films vond ik de negatieven nogal zwaar. Daarom heb ik de sluitertijden maar eens getest. Die bleken toch wat langer dan oorspronkelijk bedoeld. 1/25e was 1/18e, 1/50e was 1/30e en 1/100e kwam in de buurt van 1/70e seconde. 1/200e was maar nauwelijks sneller met 1/80e seconde. Of dat door ouderdom of vervuiling komt weet ik niet. Misschien moet ik de sluiter  schoonmaken of volgende keer gewoon een stuk krapper belichten.

Zolang je rekening houdt met de beperkingen van de rolfilm-balgcamera valt er met dit soort camera's nog prima te fotograferen. En omdat er maar acht negatieven op een rolfilm gaan ga je vanzelf zorgvuldig en aandachtig werken. Ondanks de bedenkingen van meneer Dick Boer.








woensdag 28 mei 2014

Agfa Clack



De verschillen zijn klein maar er bestaan 2 versies van de Agfa Clack. De eerste versie heeft geen ingebouwd geelfilter en een brandpuntsafstand van 86 mm. De latere versie heeft wel een geelfilter en een iets andere lens, namelijk met een brandpuntsafstand van 90 mm. 
Waarom er in de latere versie een andere (betere?) lens zat is onduidelijk, in de praktijk valt het verschil nauwelijks op. Pas toen ik de twee camera's naast elkaar had staan zag ik dat de lens van de eerste versie zo'n 4 millimeter verder naar binnen stond.
Heel groot is het verschil in brandpunt ook niet, omgerekend naar kleinbeeld komt het overeen met respectievelijk 37 mm en 38,5 mm. Voor die tijd overigens wel redelijk groothoekig.

Op zich is de Agfa Clack een beetje een saaie camera. Het ontwerp mist elke vorm van elegantie en de techniek is nauwelijks verassend. Het meest frivole aan de camera is waarschijnlijk zijn naam. 
Maar het is wel een degelijke en betrouwbare box-camera, het ontwerp is goed doordacht, de bediening is overzichtelijk en de resultaten zijn acceptabel. Bovendien was de Clack redelijk geprijsd en dus bereikbaar voor een groot publiek. Er zijn er meer dan anderhalf miljoen van verkocht.
Ik heb ooit eens horen zeggen dat speciaal voor Nederland de Clack nog een jaar langer dan gepland in productie is gebleven. Het is dan ook een camera die je eerder vroeger dan later op een rommelmarkt tegen komt.
Ik had al een Agfa Clack liggen en die tweede had ik eigenlijk alleen gekocht omdat er een bijna vol rolletje in zat. Ik was vooral benieuwd of daar nog iets op stond.
Pas later ontdekte ik dat ik twee verschillende camera's had.

Het verschil tussen de eerste versie van de Agfa Clack (links) en de tweede versie.

De Agfa Clack kwam in 1954 op de markt en de camera bleef ruim 10 jaar in productie. Het was de opvolger van de hoekige metalen Synchro Box en één van de laatste succesvolle 120-boxcamera's voordat het grote publiek massaal op kleinbeeld overstapte.
Het binnenwerk van de camera bestond grotendeels uit kunststof, de buitenkant was van metaal. Dat blik was bekleed met een weinig overtuigende imitatie van reptielenleer, alles in het zwart. De lens was een enkelvoudige meniscus.
De achterwand en dus het filmvlak was gebogen, dat gaf de camera een minder massief uiterlijk maar was vooral bedoeld om de lensfouten en de lichtafval aan de randen van het negatief zo veel mogelijk te beperken.
Het mechaniek was eenvoudig, de sluiter kende twee instellingen; B en M voor respectievelijk tijd- (Bulb) en Momentopnames, ca. 1/30e seconde. In de gebruiksaanwijzing was sprake van 1/35e seconde. Misschien iets te nauwkeurig ten opzichte van de realiteit.  
Verder was er keuze uit 3 instellingen; een zonnetje (diafragma f/16), wolkjes (diafragma f/11) en een stand voor opnames tussen 1 en 3 meter. In het laatste geval draaide er een extra lensje voor de lens om 'close-up' opnames mogelijk te maken.


Op de eerste versie stond onder de lens de tekst 'AGFA CAMERA-WERK AG' met als onderschrift 'München Germany', dit was de versie met de 86 mm lens. De latere versie had alleen het opschrift 'MADE IN GERMANY' onder de lens, dat was dus met een brandpunt van 90 mm. Bij deze latere versie leek de zoeker een iets kleinere beeldhoek te hebben al was dat door de tonvormige vertekening moeilijk te beoordelen.
Het is opvallend dat bij de latere modellen in plaats van het kleinste diafragma een geelfilter was gemonteerd, en dat in een periode waarin de kleurenfilm langzaam populair werd. Daar was de doelgroep van de Clack duidelijk nog niet aan toe. 


Voor het fotograferen met een Agfa Clack zijn twee dingen nodig; mooi weer en een vaste hand. In de jaren 50 was een film van ISO 50 gebruikelijk. De Isopan ISS met een gevoeligheid van 21 DIN (ISO 100) werd beschouwd als hooggevoelig. In  zonlicht is dat meer dan voldoende. Bij weinig licht kan een film van ISO 400 dan weer net genoeg ruimte geven om nog te kunnen fotograferen maar dan moet het rolletje wel vol bij dezelfde lichtomstandigheden.
Voor de Agfa Clack was een bijpassende flitser leverbaar, de Clibo, die ook op de Agfa Click paste. Uiteraard werkte die met losse lampjes. Met een richtgetal van 50 bij ISO 100 gaven deze meer dan voldoende licht om een sombere jaren-50 huiskamer tot in alle hoeken uit te lichten.
Een goed electronenflitsapparaat kostte in die tijd het 10-voudige van de camera en pastte dan ook nog eens niet op de geheel eigen flitsaansluiting van de Clack. Ook dat was duidelijk een andere doelgroep.


Mijn eerste foto's met de Agfa Clack waren overbelicht en bewogen. Dat kwam vooral door een twijfelende sluiter. In de loop der jaren was het mechaniek wat vuil geworden waardoor de belichtingstijd niet meer constant maar wel altijd meer dan voldoende was. De ring om de lens zat met één schroefje vast dus het was niet zo ingewikkeld om bij de sluiter te komen. Het schoonmaken was dan ook geen probleem.


De twee verschillende lenzen.

Gelijk de andere Clack ook maar even nagekeken zodat ik beide camera's met elkaar kon vergelijken. Met de lensjes los op tafel was duidelijk te zien dat ze op verschillende hoogte gemonteerd waren. Het werd tijd voor een tweede test, nu met twee camera's.

Als eerste viel op dat de negatieven uit de tweede versie minder dekking hadden.
Die waren dus wat krapper belicht. Het verschil in brandpunt was te klein om zo'n grote invloed op de belichting te hebben dus was de belichtingstijd korter. Ik weet niet of dat zo oorspronkelijk bedoeld was of dat het door ouderdom kwam. Ik had het idee dat het veertje dat de sluiter liet bewegen wat minder krachtig was. De kortere sluitertijd maakte de kans op bewegingsonscherpte in ieder geval wel minder.
Verder was er een verschil in scherpte maar ook dat was niet te herleiden tot een verschil in constructie. In de oudere Clack was de veer die de nog niet belichte film op zijn plaats moest houden een beetje verbogen en zat vast geklemd tegen het bakeliet. Daardoor had de film teveel speling en liep dus niet mooi strak door de camera. De beelden van de tweede versie Agfa Clack waren over het algemeen dus scherper.

Foto gemaakt met de eerste versie Agfa Clack.

Foto gemaakt met de tweede versie Agfa Clack.

Als de ene lens al beter was dan de andere, dan viel dat na deze test moeilijk te beoordelen, de individuele verschillen tussen de twee camera's hadden daarvoor een te grote invloed op de beeldkwaliteit. Het leek er wel op dat de oude lens iets contrastrijker was. De nieuwere lens had meer last van lichtafval, het midden was in verhouding lichter, de hoeken donkerder.
De optische prestaties van het objectief waren sowieso maar redelijk. Het midden tekende nog wel aardig scherp maar naar de hoeken werd dat snel een stuk minder. Wat dat betreft was het gebogen filmvlak niet toereikend. Het veroorzaakte wel een sterke tonvormige vertekening. Dat was bij normale foto's geen probleem maar bij een onderwerp met horizontale lijnen was het storend aanwezig.
Qua optiek was de Agfa Clack dus geen bijzondere camera. Ook de close-up stand gaf geen indrukwekkende aanvulling. Het leek een aardige optie om het scherptegebied te vergroten en de scherpte scheen ook wel iets dichterbij te komen maar dat kwam vooral omdat de achtergrond duidelijk onscherper werd. Het totale beeld werd vlakker en minder briljant. Dat was met een hoger contrast wel weer te corrigeren maar ik had niet het idee dat het beeld echt scherper werd.

Het verschil tussen een opname zonder (links) en met close-up instelling.

Het filmpje dat nog in de camera zat was Kodak Gold 400. Te nieuw voor leuke oude foto's, te oud voor een fatsoenlijk beeld. Na het ontwikkelen bleek de film flink gesluierd. De eerste foto was een dubbelopname, de tweede foto was bewogen. De rest van de beelden werd ontsierd door onscherpte en kleurvlekken.

Voor de jaren 50, toen veel foto's nog contactafdrukken waren, was de Agfa Clack een redelijke camera. Op een klein formaat vielen de beperkingen niet zo op. Het is nog steeds leuk om met een meer dan vijftig jaar oude camera foto's te maken ook al zijn de mogelijkheden van die camera beperkt. Het is nog leuker als die foto's dan ook nog min of meer voldoen aan de verwachtingen.
Dat is dan vooral afhankelijk van de individuele camera. Veel verschil tussen de eerste en tweede versie Agfa Clack is er volgens mij niet. De grootste verschillen worden bepaald door de mate waarin de techniek de afgelopen 50 jaar heeft doorstaan.
Als een Agfa Clack het nog doet is het een ongecompliceerde en degelijke box-camera. Degelijk maar misschien een beetje te braaf. De spanning was er na een paar rolletjes wel af. Dat lag niet aan de resultaten, die waren goed, of in ieder geval zoals verwacht. De Agfa Clack is gewoon een tikkeltje te saai.




















donderdag 15 mei 2014

Zeiss Ikon Ikoflex II (851/16), 1937.



De Zeiss Ikon Ikoflex II uit 1937 was de eerste 'serieuze' tweeoog-spiegelreflexcamera van Zeiss Ikon. Het eerste model, de Ikoflex (850/16) uit 1934 was met zijn Novar-Anastigmat met een lichtsterkte van maximaal 1:4,5 en een Derval-sluiter met 3 sluitertijden geen concurrentie voor de Rolleiflex van Franke & Heidecke die 5 jaar eerder geïntroduceerd was. De Ikoflex II voorzien van een Tessar 1:3,5 en een Compur-Rapid sluiter met sluitertijden tot 1/500e was dat wel, of in ieder geval voor de Rolleicord.


De naam 'Ikoflex' was duidelijk een verwijzing naar de Rolleiflex. Het basisprincipe was dan ook hetzelfde; een tweeoog-reflexcamera voor 12 opnames 6x6 op 120-film. Maar in de uitwerking van dit idee lijkt het wel of de ontwerpers van Zeiss Ikon vooral hun best hebben gedaan om alles net even anders te doen dan bij Rollei.
De eerste Ikoflex was wat dat betreft het meest uitgesproken. Zo liep de film horizontaal in plaats van verticaal door de camera. Daarom was de onderkant nogal breed wat leidde tot de bijnaam 'koffiepot'. Scherpstellen gebeurde met een handel en het uiterlijk was voorzien van allerhande Art-Deco versieringen.
Bij de Ikoflex II liep de film inmiddels verticaal door de camera waardoor deze al een stuk slanker was. Het scherpstellen gebeurde aanvankelijk nog met een scherpstel-handel, al werd deze na een jaar vervangen door een conventionele draaiknop. De latere Ikoflexen gingen steeds meer op een gewone tweeoog reflexcamera lijken maar allerlei details werden vaak net even anders vormgegeven.
Waar bij Rollei de camera's geleidelijk evolueerden lijkt het wel alsof bij Zeiss Ikon de nadruk vooral lag op het op vernuftige wijze oplossen van al dan niet bestaande problemen door allerlei variaties in lay-out en tchniek. Dat leverde een serie gevarieerde maar niet altijd even coherente camera's op. Camera's van hoge kwaliteit maar geen groot commercieel succes.
Wat dat betreft waren de schaamteloze Japanse Rollei-kopieën uit de jaren '50 een stuk succesvoller maar die concurreerden dan ook op prijs en niet op technische creativiteit. Wat kwaliteit betreft bleef Zeiss Ikon de grootste concurrent.

In de naamgeving en type-aanduiding hield Zeiss Ikon er ook een wat afwijkend systeem op na waarin dezelfde namen of nummers voor verschillende camera's werden gebruikt of dezelfde camera later een andere naam en nummer kreeg.
Na de eerste Ikoflex (typenummer 850/16) verscheen in 1937 de Ikoflex II op de markt. In 1938 kwam de Ikoflex III (852/16) uit die na de introductie van een nieuwe Ikoflex III (853/16) in 1939 voortaan Ikoflex II genoemd werd (en meestal aangeduid wordt als Ikoflex II/III). De oorspronkelijke Ikoflex II werd de Ikoflex I (met typenummer 850/16).
De tweede Ikoflex III geldt nog steeds als de meest geavanceerde Ikoflex. De camera was voorzien van sneltransport en een lichtsterke Tessar 1:2.8. Bovendien was de camera voorzien van een grote Albada-zoeker, in plaats van een extra 'sportzoeker'. Dat was een innovatie die bij de concurrentie niet te vinden was. Overigens is deze camera door de historische ontwikkelingen maar een jaar in productie gebleven, daarna lagen de prioriteiten voor Zeiss bij andere producten.
Na de Tweede Wereldoorlog werden de Ikoflex I en II weer in productie genomen en begin jaren '50 vervangen door verbeterde versies, respectievelijk de Ikoflex Ia (854/16) en IIa (855/16). Na de Ia volgde nog de Ib (856/16) en een versie met ingebouwde lichtmeter, de Ic (886/16). De verbeterde versie van de IIa bleef gewoon IIa heten.
De laatste Ikoflex was de Favorit (887/16) uit 1957 die tot 1960 in productie zou blijven, in feite een verbeterde IIa met ingebouwde lichtmeter.

De onconventionele scherpstelhandel inclusief scherptediepte schaal.

Niet alleen de type-aanduiding en nummering was op zijn zachts gezegd eigenzinnig, ook in de lay-out van de verschillende modellen zat nogal wat variatie.
Bijna elk type had een andere frontplaat, niet alleen in decoratie maar ook in constructie. De ontspanknop zat aanvankelijk bij de opname-lens, bij latere modellen bovenop naast de zoeker en weer later aan de zijkant van de camera. Latere modellen hadden venstertjes waarin de gekozen sluitertijd en het diafragma konden worden afgelezen, deze zaten rond of naast de opname-lens of boven de zoeker-lens. De opnameteller was eerst wel en later niet meer van boven af te lezen.
Voor de amateurfotograaf met één camera was die variatie geen probleem, voor de professionele fotograaf die vaak met meerdere camera's werkte konden die verschillen makkelijk tot vergissingen leiden. De beroepsfotografen fotografeerden dan ook meestal met een Rolleiflex.
Voor verzamelaars is het dan weer leuk om alle verschillen te inventariseren. De meeste modellen waren ook nog leverbaar met verschillende lenzen en sluiters.
Ik had mijn Ikoflex vooral gekocht uit nieuwsgierigheid. Ik kwam hem tegen op een rommelmarkt en ik voelde dat ik een goede camera in handen had, degelijk en zorgvuldig gemaakt. Ik was benieuwd hoe het zou zijn om hiermee te fotograferen.

De opnameteller naast de zoeker is makkelijk af te lezen.

Het was een Ikoflex II uit 1937, de vroege versie met scherpstelhandel, voorzien van een 7,5 cm 1:3,5 Tessar objectief in een Compur-Rapid sluiter en met bijpassende leren tas (1720/16).
De camera was een tikkeltje stoffig en het glaswerk was wat aangeslagen maar alles voelde degelijk aan. Technisch leek alles nog prima te functioneren, niets voelde oud of versleten aan. 
Na wat poetsen zag alles er een stuk beter uit. Alleen de gebruikssporen van de afgelopen 75 jaar waren gebleven. Diezelfde middag heb ik een eerste film vol geschoten om de camera te proberen en om te testen of alles nog werkte. De eerste resultaten waren bemoedigend, de belichting was in ieder geval in orde, het transport en de opnameteller werkten en het scherpstellen was weliswaar wat ongewoon maar niet onhandig.
De scherpte en het contrast van de negatieven was zoals van een Tessar verwacht kon worden. De overstraling bij tegenlicht en hoge contrasten paste bij een ongecoat objectief. Daar was met een hogere gradatie nog wel iets aan te doen.
Het enige dat tegenviel waren de kleine krasjes op de film. Een van de twee  rolletjes waar de film tijdens het transport overheen liep was in de loop der jaren wat geoxideerd. Met heel fijn schuurpapier en een beetje koperpoets was dat snel opgelost.

Op de zijkant van de zoeker staat een belichtingstabel. Het valt op dat hier sprake is van diafragma 4,5 terwijl op de camera zelf dat diafragma niet aangegeven is.

Ik kreeg er wel aardigheid in om met deze camera te fotograferen, tijd dus voor een tweede film. Het was wel jammer dat het filmtransport niet geautomatiseerd was. Die functie werd pas in latere modellen toegevoegd. Bij mijn camera moest je de film nog doorspoelen tot er een 1 in het rode venstertje onderop de camera zichtbaar werd, dan de filmteller op 1 zetten en het venstertje sluiten. Vanaf dat moment moest je vertrouwen op de filmteller naast de zoeker. Die was van boven makkelijk af te lezen maar blokkeerde niet als het volgende negatief bereikt was. Er was geen blokkering voor dubbelopnames en de sluiter werd ook niet automatisch gespannen. Het bleef een kwestie van opletten.
Het matglas was redelijk helder en helemaal leeg. Misschien waren een paar dunne hulplijnen handig geweest bij het rechthouden van de camera maar met alleen de randen ging het ook. Overigens was de begrenzing van de zoeker nogal zuinig, er stond aanzienlijk meer op de negatieven dan ik had verwacht, maar ook dat wende.


Afgezien van het wat krappe zoekerbeeld is de Ikoflex II een fijne camera om mee te fotograferen. Niet voor het snelle werk, daarvoor is de routine van transporteren en sluiterspannen niet geschikt, maar wel voor foto's waarvoor je rustig de tijd kan nemen om standpunt en compositie te bepalen. Maar dat geldt in principe voor de meeste camera's van voor de oorlog.
De ongecoate Tessar heeft wat moeite met tegenlicht, maar verder is het een mooie lens die scherp en contrastrijk tekent. In de hoeken is er sprake van wat lichtafval en de scherpte en het contrast nemen wat af bij grote diafragma's maar over het algemeen is het een mooi objectief.
De eigenschappen van de lens kunnen bij het juiste onderwerp ook meehelpen om het beeld en de gewenste sfeer te versterken. Ook in lichtsituaties waar andere oude lenzen het al snel laten afweten.
Het mooiste vind ik nog dat deze camera het gewoon nog doet zoals het ooit, meer dan 75 jaar geleden, bedoeld was. En dat zonder uitgebreid onderhoud. Alles functioneert nog, alles voelt nog degelijk aan en dat zonder een spoortje van speling. Wat dat betreft heeft de kwaliteit het grote succes nooit in de weg gestaan.


















maandag 24 februari 2014

De Propaganda-foto van de 'Pelikaan'.


Een foto-montage uit 1933.

In de nacht van 18 december 1933 vertrok de Fokker F.XVIII 'Pelikaan' van de K.L.M. voor een 'versnelde postvlucht' van Schiphol naar Batavia. Het doel van deze tocht was het genereren van publiciteit voor de K.L.M. in het algemeen en voor de Indië-lijn in het bijzonder. Dat slaagde uitstekend. De kranten stonden er vol van en heel Nederland zat aan de radio gekluisterd om het laatste nieuws te horen.
Met passend publiciteitsmateriaal kon de K.L.M. optimaal profiteren van deze massale aandacht. Er was echter één probleem, de Pelikaan was vertrokken zonder dat er een bruikbare publiciteitsfoto beschikbaar was.


Op zich was een vliegtocht naar Indië in 1933 niet bijzonder. Er vertrok elke week een K.L.M.-toestel naar de Oost om 10 dagen later in Batavia aan te komen. Er was  sprake van een geregelde luchtdienst, op dat moment zelfs de langste geregelde luchtdienst ter wereld.
Vanuit de zakenwereld werd echter de wens geuit voor een snellere postdienst want in tegenstelling tot passagiers behoefde de post geen nachtrust. Het Comité Snelpost Nederland-Indië spande zich daarom in om in het najaar van 1933 een snelle postvlucht uit te voeren met de speciaal voor dat doel gebouwde Pander S4 'Postjager'.
Dw P.T.T. gaf een nieuwe, driehoekige, luchtpostzegel voor speciale vluchten uit en de K.L.M. stelde een 2e piloot en een radio-telegrafist met ervaring op de Indië-route beschikbaar. Daarnaast kondigde de K.L.M. zelf ook een versnelde postvlucht aan, in dit geval met de nieuwe Fokker F.XX 'Zilvermeeuw'.
De voorbereidingen werden uitgebreid in de pers besproken en het geheel kreeg het karakter  van een wedstrijd.
De Postjager vertrok als eerste, op 9 december. Een dag later stond ze al met motorpech in Italië aan de grond. Die zou Batavia voor de Kerst niet halen.

Alle ogen waren nu gericht op de Zilvermeeuw. In de nacht van 18 december waren honderden mensen naar Schiphol gekomen om de Fokker F.XX te zien vertrekken. Onder hen de minister van Binnenlandse Zaken en de directeur-generaal van de P.T.T. De motoren draaiden warm, de post was ingeladen en de bemanning stond klaar; gezagvoerder Iwan Smirnoff, piloot Piet Soer, boordwerktuigkundige Grosfeld en marconist Beukering. Er werd afscheid genomen van familie en collega's en toen stopte motor 2, een kam-wiel had het begeven. De hangar werd weer gesloten en het werd stil op Schiphol.
Ook de Zilvermeeuw zou niet voor de Kerst in Indië zijn.

Nog geen uur later kondigde dhr. Plesman, directeur der K.L.M, aan dat de vlucht alsnog uitgevoerd zou worden. Niet met de Zilvermeeuw maar met één van de gewone dienst-toestellen van de Indië-route, de Pelikaan, een Fokker F.XVII. Dat toestel was weliswaar minder snel maar wel betrouwbaar en vertrouwd. De post werd overgeladen, de bemanning ging aan boord en om 4 uur 28 verdween de Pelikaan in de donkere nacht.

Tot aan Marseille werd er gewerkt aan een nieuw vluchtplan omdat de Pelikaan met 190 km/u veel minder snel was dan de Zilvermeeuw die wel 250 km/u haalde. Meer vliegen en minder rusten. Er werd alleen nog maar geland om te tanken. Aanvankelijk hoopte men om het in zes dagen te halen maar gaandeweg werd duidelijk dat het sneller kon.
Uiteindelijk werd Batavia bereikt in 4 dagen, 4 uur en 40 minuten. Sneller nog dan met de Zilvermeeuw gepland was. De bemanning werd als helden onthaald door een uitzinnige mensenmassa. De kranten stonden er vol van, zowel in Indië als in Nederland. "Practisch heeft de bemanning heel weinig geslapen. Met zwarte koffie en Cognac hield men zich op de been." meldde het Soerabaiasch Handelsblad. In de Nederlandse kranten werd alleen de zwarte koffie genoemd.

In Indië kreeg de bemanning enkele dagen relatieve rust en de Pelikaan een extra benzine-tank van 670 liter. Op tweede kerstdag vertrok de Pelikaan weer naar Holland met aan boord 500 kilo nieuwjaarspost. Ondanks veel tegenwind en slecht weer wist men de terugreis nog sneller te volbrengen. Op 30 december 's avonds was het ijskoud, donker en mistig op Schiphol. Meer dan twintigduizend mensen wachtten de Pelikaan op. In het donker hoorden ze het toestel wel maar zagen het niet. Pas bij de tweede poging lukte het Smirnoff de machine veilig uit de mist op de grond te zetten. "Met tranen in de ogen werd het volkslied gezongen... Toen werd het Nederlandse volk zich weer meester. Het ging de bemanning huldigen."

Ik kende de foto van de Pelikaan met bemanning al uit verschillende boeken. Dat het een montage was zag ik pas toen ik in een antiquariaat een originele afdruk tegen kwam. De foto zat in een schoolschrift uit de jaren '30 met knipsels over vliegtuigen, ooit verzameld door een jongen uit Den Haag. Deze afdruk was een stuk scherper dan de reproducties die ik kende en het was duidelijk te zien dat de bemanning uitgeknipt en op een andere achtergrond was geplakt. Het contrast van de twee beelden was ook niet hetzelfde. Bij het vliegtuig stond de zon links achter, bij de bemanning kwam het licht van rechts.

Vooral aan de onderkant van de jassen is goed te zien dat het beeld uitgeknipt is.
De K.L.M. beschikte in de jaren '30 al over een uitgebreide Fototechnische Dienst. Deze was vooral actief op het gebied van luchtcartografie maar ze maakte ook "opnamen voor illustratieve weergave van fabrieks- en handelsterreinen, groote werken enz. enz." Luchtfoto's dus. En daarnaast verzorgde ze de propagandafoto's ten behoeve van het eigen bedrijf. Het begrip propaganda had toen een minder beladen betekenis dan tegenwoordig.


Tijdens het invliegen van de F.XX in het najaar van 1933 was er door een K.L.M-fotograaf een foto gemaakt van Smirnoff, Soer, Grosfeld en Beukering voor de Zilvermeeuw. Zeer waarschijnlijk met een 10x15cm camera. De bemanning in uniform met overjas en handschoenen, het was koud en bewolkt. Ik kan mij voorstellen dat Smirnoff een rondje sigaretten uitgedeeld heeft terwijl de fotograaf zijn camera instelde. Smirnoff rookte Gold Flake. Op het moment dat het glasnegatief in de camera zat gingen de sigaretten omlaag, iedereen keek vriendelijk maar vastberaden in de lens en de foto was gemaakt.


Afdrukken van deze foto werden verspreid onder de geïllustreerde pers zodat zij over passend beeldmateriaal beschikten. Zo stond ze in het blad 'Sport in Beeld' van 12 december. Het Algemeen Handelsblad gebruikte de foto nog op 22 december bij het bericht dat de Pelikaan te Batavia was aangekomen, maar daarbij was de Zilvermeeuw op de achtergrond al weggeretoucheerd en was alleen de bemanning afgebeeld. Voor promotiedoeleinden was de oorspronkelijke foto volledig ongeschikt geworden.

De foto-montage is in verschillende boeken gedupliceerd.
Ik denk dat ze toen bij de K.L.M. Fototechnische Dienst de schaar in een afdruk hebben gezet en de bemanning zo netjes mogelijk hebben uitgeknipt. De losse bemanning is daarna op een bestaande foto van de Pelikaan geplakt (deze bestaat ook als ansichtkaart, zonder bemanning), de randjes zijn nog een beetje weggewerkt en daarna werd alles opnieuw gefotografeerd zodat er nieuwe afdrukken konden worden gemaakt. Deze werden dan weer aan de pers beschikbaar gesteld. Zo stond de montage op 3 januari in de Telegraaf bij een interview met Piet Soer.

Foto-montage en luchtfotografie werden in de jaren '30 vaak gebruikt in de reclame.
Collages en foto-montages waren in de jaren '30 niet ongebruikelijk in de reclame- en publiciteitsfotografie al was dat vaak in een duidelijk herkenbare vorm en in combinatie met grafische elementen. De foto-montage van de Pelikaan staat wat dat betreft veel dichter bij de huidige beeldmanipulatie waarbij publiciteitsfoto's vaak uit meerdere elementen worden samengesteld. In de reclame is dat algemeen geaccepteerd, in de nieuwsfotografie absoluut niet.
Een montage als van de Pelikaan zou tegenwoordig de krant niet meer halen zonder dat daar een uitgebreide discussie over beeldmanipulatie en journalistieke integriteit op volgt.

Met huidige technieken zou zo'n montage wel een stuk sneller en nauwkeuriger kunnen worden gedaan. Daar staat tegenover dat er analoog ook al heel wat mogelijk was. Negatieven van 10x15cm hadden als voordeel dat er niet of nauwelijks vergroot hoefde te worden zodat er bij reproductie weinig verlies in scherpte op trad. Nadeel was dat in de nieuwe foto de randen van het uitgeknipte fotopapier ook haarscherp in beeld kwamen. Bij reproductie in kranten en tijdschriften was dat door het gebruikte raster niet te zien en in de boeken waarin de foto later verscheen viel het ook nauwelijks op. Maar op een afdruk op fotopapier was duidelijk te zien dat hier sprake was van enig plak- en knipwerk.
Uiteindelijk is deze foto-montage wel het iconische beeld van de Pelikaan-vlucht geworden. Het beeld is zelfs in 2009 nog gebruikt op een postzegel als één van de hoogtepunten uit de Nederlands luchtvaart-geschiedenis. Wat dat betreft had de K.L.M. zijn propaganda goed op orde.