vrijdag 30 augustus 2013

Olympus Trip 35



Je kan je afvragen hoe bijzonder een camera is waarvan in 15 jaar meer dan 5 miljoen exemplaren zijn verkocht*. Een echt verzamelobject is het niet, de eerste camera's verschillen nauwelijks van de laatste. Het bijzondere aan de Olympus Trip is vooral het ontwerp, dat was zo goed en doordacht dat er in vijftien jaar nauwelijks veranderingen nodig waren. Dat maakt de Trip nog steeds interessant. 

De Olympus Trip 35 was ontworpen als camera om op vakantie of bij andere uitstapjes zonder veel gedoe herinneringen en gebeurtenissen vast te leggen, vandaar de naam. Een all-round camera waar iedereen probleemloos mee kon fotograferen. Het gebruiksgemak stond voorop, daarom waren er maar weinig instelmogelijkheden maar aan de beeldkwaliteit werden geen concessies gedaan. Het resultaat was een degelijke compacte camera met een uitstekend objectief, eenvoudig in het gebruik en met een verrassend betrouwbare belichtingsautomaat.

Het verschil tussen de eerste en de laatste Trip zit in de details.
Links een Trip uit 1967, rechts uit 1984.

De Trip 35 verscheen in 1967 op de markt en de werd tot in het begin van de jaren '80 geproduceerd. Veel verschil tussen de eerste en de laatste versie is er niet, de ontspanknop was eerst zilverkleurig en later zwart, het flitsschoentje was glimmend en later mat. Alleen de allereerste serie had een ISO-instelling tot 200 in plaats van 400 en de afstandssymbolen waren allemaal oranje. Daarna was het meest gebruikte symbool, de 'snap-shot' instelling, rood.
Afgezien van de zeldzame zwarte uitvoering uit het eind van de jaren '60 is er in uiterlijk dus niet zo veel verschil. Alleen het gewicht wordt in de loop der jaren minder, de eerste Trip weegt 415 gram, de laatste 385. Dat betekent meer kunststof en minder metaal en waar mogelijk werden een aantal schroefjes weggelaten.

Qua ontwerp komt de Trip overeen met de succesvolle halfkleinbeeldcamera's van de Pen EE serie, maar dan opgeschaald naar volformaat kleinbeeld. De vormgeving is eenvoudig en traditioneel met als subtiele toevoeging het karakteristieke knikje in de bovenkant dat van de Pen F spiegelreflexcamera geleend is. Een stukje plastic naast de zoeker geeft de illusie van een meetzoeker en de lichtmeter rond de lens geeft de indruk van een groter en lichtsterker objectief. Alles bij elkaar maakt het geheel een serieuze indruk.

De techniek is grotendeels overgenomen van de Pen EE. Rondt de lens zit een lichtgevoelige selenium-cel. Deze cel geeft een kleinee spanning af, hoe meer licht er op valt hoe hoger de spanning. Door die spanning komt er een naaldje in beweging. Bij het indrukken van de ontspanknop komen er twee getrapte metalen plaatjes omhoog die tegen het naaldje stoppen. Het eerste plaatje heeft twee treden voor de twee beschikbare sluitertijden; 1/40e en 1/200e seconde. Het tweede plaatje heeft twee trappetjes waarbij elke trede overeenkomt met een diafragma-opening van 2.8 tot 22 in 1/3e stops. Als er te weinig licht is blokkeert de sluiter en verschijnt er een rode vlag in de zoeker.
De diafragma-sluitertijd combinaties worden volledig mechanisch gekozen. Omdat de enige stroom die nodig is door de selenium-cel wordt geleverd is er verder geen batterij nodig. Het enige nadeel is dat de selenium-cel door inwerking van het licht langzaam achteruit gaat. Het is dan ook raadzaam om, als je niet fotografeert, altijd de lensdop op de camera te houden.

De mechanische belichtingautomaat.

In situaties met weinig licht adviseert de gebruiksaanwijzing om een flitser te gebruiken en over te schakelen op 'manual'. Je kan dan zelf een diafragma kiezen afhankelijk van het richtgetal van de flitser en de afstand tot het onderwerp. De camera kiest dan altijd voor 1/40e als sluitertijd. Dit betekent overigens niet dat je zo een indirecte vorm van handbediening tot je beschikking hebt want de lichtmeter blijft werken. Bij te veel omgevingslicht bij een gekozen diafragma zal de camera automatisch een kleiner diafragma kiezen om overbelichting te voorkomen.
De enige manier om de automaat te misleiden is een soort mechanische 'exposure-lock'. De sluitertijd wordt bepaald als je de ontspanknop half indrukt. Je ziet dan onderin de zoeker een stukje van de rode vlag verschijnen. De belichting ligt dan vast, de compositie kan je daarna nog aanpassen voor je definitief afdrukt.

De zoeker is helder en de ingespiegelde kaderlijnen geven een betrouwbare indicatie van wat er in beeld komt. Er zijn extra hulplijntjes voor de beelduitsnede op korte afstand. Rechts onderin de zoeker zit een klein extra venstertje waarin de gekozen afstand is af te lezen en ook of de camera op A of op een vast diafragma is ingesteld.
De Trip werkt met zone-scherpstelling, de afstandsschaal geeft de keuze uit vier symbolen: een hoofdje, 2 figuurtjes, 3 figuurtjes of een berg. Onderop de lens staan de bijbehorende afstanden, 1m, 1,5m, 3m en ∞. De symbolen zijn oranje, alleen het symbool met de drie figuurtjes is rood. Dit is de meest gebruikte instelling, de zogenaamde 'snap-shot' instelling. Bij voldoende licht is de scherptediepte dan voor de meeste foto's toereikend (bij f8 is alles scherp van 2 tot 7 meter, bij f16 van 1,5 meter tot oneindig).


Het objectief is een Zuiko D. 1:2.8 f = 40mm. Deze lens, 4 elementen in 3 groepen, doet erg denken aan een Tessar, niet alleen qua ontwerp maar ook wat betreft de prestaties. Naar de randen is er sprake van enige lichtafval maar het objectief tekent mooi scherp en contrastrijk. Het brandpunt van 40 mm is prettig, niet te groothoekig maar wel met een grotere scherptediepte dan een normale 50 mm lens. Dat is sowieso handig vanwege de beperkte mogelijkheid om nauwkeurig scherp te stellen.

Het objectief is voorzien van een anti-reflectie coating.

Natuurlijk heeft de Olympus Trip zijn beperkingen, de camera is niet geschikt voor situaties met weinig licht, de mogelijkheden om de belichting te beïnvloeden zijn beperkt en de scherpstelmogelijkheden zijn beperkt. Maar in de meeste gevallen kan je er prima mee fotograferen.
Ik heb de Trip, met kleurenfilm, een paar keer meegenomen als tweede camera naast 6x6 zwart-wit en dat is mij heel goed bevallen. Sommige onderwerpen doen het nu eenmaal beter in kleur. Veel ruimte neemt de camera niet in en je kan er lekker vlot mee fotograferen.

Het leuke aan de Olympus Trip is dat, door het grote aantal geproduceerde camera's, het niet zo moeilijk is een goed werkend exemplaar te vinden. Bij voorkeur met lensdop en origineel tasje. De kans dat de lichtmeter dan nog werkt is het grootst. Bij een oudere lichtmeter kan het nodig zijn om de ISO-waarde aan te passen omdat de selenium-cel wat achteruit gegaan is.
Een Trip die in de A-stand en met afgedekte lens geen rode vlag toont bij het ontspannen is defect. Dan kan je beter op zoek naar een ander exemplaar. Er zijn er nog genoeg te vinden.



* Olympus zelf claimt een aantal van meer dan 10 miljoen verkochte exemplaren maar dan hebben ze het ook over een periode van 20 jaar. Waarschijnlijk tellen ze dan de latere modellen met auto-focus ook mee. Kwestie van creatief boekhouden.












dinsdag 30 juli 2013

Kodak Six-20 'Brownie' D




Soms kom je op een rommelmarkt een camera tegen waar nog een film in zit. Nieuwsgierigheid wint het dan wel eens van rationeel denken. Dat was het geval bij deze Kodak Six-20 'Brownie' D. Een leuke maar verder niet erg interessante boxcamera, gewoon één van de vele Kodak boxcamera's uit de jaren '50 zonder veel instelmogelijkheden en eigenlijk iets te duur. Maar er zat nog een film in en dus heb ik hem toch maar gekocht.


De 'Brownie' D kwam uit de Engelse Kodak fabriek, was uitsluitend geschikt voor de nu wat onhandige 620-film en werd gemaakt van 1946 tot 1957. De camera had twee tijdinstellingen, Instant en Bulb, maar geen statiefaansluiting. Als extra was er wel een close-up lensje ingebouwd voor portretten tussen 3 en 6 feet.
Eigenlijk was de 'Brownie' E uit dezelfde tijd interessanter, die had wel een statiefaansluiting, twee zelfs, en naast de portretlens ook nog een ingebouwd geelfilter. Dat gaf iets meer mogelijkheden. Ik had er al jaren één liggen, stukje familie-geschiedenis, maar nog nooit mee gefotografeerd vanwege het onhandige gedoe om 120-film op 620-spoel te wikkelen.
Ik had ook een 'Brownie' F, een speciale uitvoering van de E in beige en bruin met goudkleurige accenten speciaal voor dames. En ik had al een 'Brownie' C, de eenvoudigste variant uit deze serie, zonder portretinstelling. Ook ooit gekocht omdat er een film in zat maar dat had niets opgeleverd.
Een A en B zijn nooit gemaakt dus ik had de serie min of meer compleet. Al zou de echte verzamelaar nog door kunnen gaan met de verschillende varianten met metalen of plastic transportknop, verticale of horizontale strepen op het front en versies met en zonder flitscontact.


Uiteindelijk ging het mij om de film die in de 'Brownie' D zat, een rolletje Agfa Isopan ISS, waarschijnlijk uit de jaren '60. De teller stond op 7 dus er was een redelijke kans dat er iets op stond. Nadat ik de film er uit gehaald had heb ik de camera afgestoft, een dood insect tussen de sluiter vandaan gehaald en de lensjes schoongemaakt. Heel ingewikkeld was dat allemaal niet, de voorkant zat als een soort deksel klemvast op de box, daaronder zat een zeer eenvoudig mechaniek.


Voor de aardigheid heb ik zelf ook nog even een film volgeschoten. Ik had nog een rolletje Verichrome Pan op 620-spoel liggen, goed tot mei 1964. Het was mooi weer dus het leek mij wel een geschikt moment om dat te gebruiken.
Het fotograferen ging aanvankelijk probleemloos maar  bij opname 7 sprong de achterwand opeens open. Toen was het filmpje vol. De sluiting was een metalen klemmetje waarvan de uiteinden omhoog staken. Deze konden dus makkelijk ergens achter blijven haken. Niet meteen het meest betrouwbare systeem.


Toen ik de films ging ontwikkelen waren mijn verwachtingen niet meer zo hoog gespannen. Het inspoelen van de films ging ook niet heel erg soepel. De drager was een stuk dunner en flexibeler dan moderne films. Bovendien hadden de films meer zo'n vijftig jaar opgerold gezeten en hadden ze wat moeite met de nieuwe vorm waar ze opeens in gedwongen werden. Met wat gepruts is het uiteindelijk gelukt om beide films netjes in de ontwikkeltank te krijgen. Daarna 12 minuten ontwikkeld in X-tol 1+1 van 24º C. De ontwikkeltijd was een beetje een gok, langer dan gebruikelijk. Ik had gehoopt dat ik daarmee de teruggelopen gevoeligheid van de film kon compenseren. Dat was maar gedeeltelijk gelukt. De negatieven waren nog vrij dun maar er stond in ieder geval wat op.



De Agfa film had het meeste te lijden gehad van de geschiedenis, misschien omdat de film al belicht was. Een flinke sluier, vlekken en krassen en de vier belichtte beelden waren dun en allen bewogen. Een vage herinnering aan een dagje Madurodam en Scheveningen.


De Verichrome Pan was er wat beter vanaf gekomen, ook hier was sprake van een stevige sluier maar deze was niet vlekkerig. De negatieven vertoonden ook meer contrast, in ieder geval de eerste vijf, de rest was onbruikbaar door de openspringende achterwand. Misschien hadden de negatieven iets ruimer belicht mogen worden maar die mogelijkheid zat niet op deze box.
Helemaal scherp waren de foto's niet, zelfs het midden had iets wolligs en naar de randen toe werd dat niet beter. Maar dat hoort een beetje bij een eenvoudige meniscus lens, net als lichtafval in de hoeken. Bij de opnames met de close-up lens werden die eigenschappen nog eens versterkt. Nog minder scherpte naar de randen en nog donkerder hoeken. Dat neemt niet weg dat het een handige optie is want zonder dit lensje ligt de 'scherpte' redelijk ver weg, op een meter of tien. Met portretlens is dat rond anderhalve meter.
Op een contactafdruk valt dat allemaal niet zo op en dat was in de jaren '50 de meest voor de hand liggende manier van afdrukken, een afdruk van 10x15 cm werd toen een vergroting genoemd. Misschien ben ik wel te kritisch.
Het is jammer dat de zoekers niet wat nauwkeuriger zijn, er komt nu nog flink wat beeld bij op het negatief maar niet aan alle kanten evenveel. En de achterwand is ook niet helemaal lichtdicht.




Alles bij elkaar is de Kodak Six-20 'Brownie' D een aardige maar geen bijzondere camera, hij ziet er leuk uit maar presteert maar matig. De film die er in zat leverde ook niet echt een verassing op. Het positieve is dat de Verichrome Pan nog heel aardige negatieven heeft opgeleverd, beter dan ik verwacht had van een vijftig jaar oude film.


vrijdag 21 juni 2013

Zeiss Ikon Box-Tengor 56/2




Een betere boxcamera dan de Box-Tengor van Zeiss Ikon ben ik nog niet tegengekomen. Fotograferen met een box is fotograferen met beperkingen en dat geldt net zo goed voor de Box-Tengor, ook al heeft deze iets meer mogelijkheden dan gemiddeld, het blijft een box. Maar wel een box die zich onderscheidt door een opvallend goede lens, de Goerz Frontar.

De Frontar is een objectief dat bestaat uit twee delen, een positieve lens van kroonglas en daaraan vastgekit een negatieve lens van flintglas. Beide lenzen zijn zo geslepen dat zij een groot deel van elkaars fouten corrigeren. Niet alle lensfouten worden op deze manier optimaal gecorrigeerd maar door het in verhouding kleine diafragma van F11 zijn de meeste niet meer storend. Het diafragma zit bovendien een stukje achter de lens zodat storende reflecties de film niet kunnen bereiken. Dit alles maakt dat foto's gemaakt met de Box-Tengor nog redelijk scherp en brilliant zijn, zeker ten opzichte van foto's met andere box-camera's die het vaak met een eenvoudige ongecorrigeerde meniscuslens moeten doen.

In het midden van de jaren '20 bestond de camera-industrie in Duitsland uit talrijke, meestal kleine, fabriekjes die elkaar met een breed assortiment camera's beconcurreerden. In 1926  fuseerden 4 camerafabrikanten, zelf vaak ook al het resultaat van een fusie, met de lenzenfabrikant Carl Zeiss tot Zeiss Ikon. Het doel was om zo een sterkere marktpositie te creëren, onderlinge concurrentie te voorkomen en voor Carl Zeiss een vaste afzetmarkt te garanderen. Dat laatste lukte maar de verschillende onderdelen bleven elkaar binnen het concern met hun eigen assortiment beconcurreren, voortaan onder dezelfde naam, en nu ook met dezelfde lenzen. Carl Zeiss had in het geheel een meerderheidsaandeel van 53% zodat al het glaswerk voortaan uit Jena kwam.



Eén van de onderdelen van Zeiss Ikon was C.P. Goerz uit Berlijn, aanvankelijk vooral producent van optische apparatuur waaronder verrekijkers, periscopen, richtapparatuur en afstandsmeters. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het bedrijf 's werelds grootste producent van militaire optische apparatuur. Na de oorlog legde het bedrijf zich noodgedwongen toe op de productie van rekenmachines en cylindersloten maar ook camera's  en projectoren.
In 1925 bracht Goerz de eerste Box-Tengor op de markt, een vrij eenvoudige box met 3 diafragma's. De rijke achtergrond in de optiek was terug te vinden in het ontwerp van de lens, de Hahn Goerz Frontar. Na de fusie verdween de naam Hahn van de camera, maar de naam Goerz bleef gehandhaafd. Ook op de nieuw berekende Frontar van de Box-Tengor 56/2 uit 1948. Maar ook die kwam nog steeds uit dezelfde fabriek in Berlijn.

De eerste Box-Tengor van Zeiss Ikon (modelnr. 756) was een licht gewijzigde Goerz, technisch vrijwel identiek. De tweede wijziging kwam in 1928 en was ook vooral cosmetisch, de twee matglaszoekertjes die eerst linksboven onder elkaar zaten kwamen links en rechts in de frontplaat te zitten waardoor de camera mooi symmetrisch werd. Bovendien was de afdekplaat van de sluiter nu spiegelend. Dat had verder geen bijzondere functie maar bleef tot het einde van de serie wel een mooi handelsmerk. Het modelnummer werd gewijzigd in 54/2, waarbij de 2 stond voor 6x9 cm op 120 film. In de loop van de jaren '30 werd ook een aantal varianten voor verschillende andere filmformaten gemaakt.

In 1934 volgde een ingrijpender modelwijziging, de camera kreeg een hoekige metalen frontplaat. Naast 3 diafragma's kon er nu ook uit  3 afstanden gekozen worden, 1-2 meter, 2-8 meter of van 8 meter tot oneindig. Hierbij werd er een extra lensje achter de Frontar gedraaid. De matglaszoekers hadden plaats gemaakt voor brilliantzoekers.
In 1938 werd de camera opnieuw gewijzigd, de sierplaat op het front bestond voortaan uit drie cirkels, de ontspanknop verhuisde naar een plaatsje bovenop de camera en de camera was voorzien van een dubbelopnameblokkering. Deze camera met typeaanduiding 55/2 bleef, met onderbreking, tot 1948 in productie. 
In dat jaar verscheen de laatste variant van de Box-Tengor, de 56/2. Deze was voorzien van een opnieuw berekende Frontar, nu met een lichtsterkte van F9 in plaats van F11 en voorzien van een enkelvoudige coating. De ontspanknop was weer terug aan de zijkant en de camera had nu ook een flitscontact. De Box-Tengor 56/2 was de laatste en meest complete box-camera van Zeiss Ikon en zou tot 1956 in productie blijven.



De constructie was eenvoudig maar doeltreffend, de hele camera was van dun blik dat zijn stevigheid ontleende aan de manier waarop de verschillende onderdelen in elkaar waren gevouwen. Alleen de frontplaat met lens zat met 2 schroefjes vast. De buitenkant was bekleed met kunstleer. Al het mechaniek zat achter het front en was zo eenvoudig van constructie dat er zelden iets kapot kon gaan, onderdelen vervangen was sowieso bijna onmogelijk omdat alles vastgeklonken of gevouwen was. Het enige onderhoud dat je aan deze camera kon plegen was afstoffen en oppoetsen.
Om  een film in te leggen hoefde alleen de doosvormige achterkant losgehaald te worden. Deze bleef dan met het riempje met de rest van de camera verbonden.



Fotograferen met de Box-Tengor is niet moeilijk, de zoekers zijn helder en overzichtelijk als je er recht en vanaf de juiste afstand in kijkt, het beeld is wel gespiegeld. Verder moet je alleen de afstand en het diafragma instellen.
Bij de gebruiksaanwijzing zat nog een los briefje met een belichtingsadvies, 'Voor de meeste foto's buiten en met goed weer gebruikt U 
diafragma 11,
 bij zeer fel zonlicht ook diafragma 16. Is het weer triestig en is het dus wat donkerder, dan zult U met diafragma 9 goede resultaten verkrijgen'
Dat was uit de tijd dat een film van ISO 100 al als zeer gevoelig gold.



Voor mijn testfoto's heb ik FP4 van Ilford gebruikt en af een toe een geelfilter om de wolken wat beter uit te laten komen. De scherpte van de meeste negatieven is goed, alleen aan de uiterste randen wordt alles wat minder en in de hoeken is er sprake van enige lichtafval. De foto's waarbij de ingebouwde extra lensjes gebruikt werden, voor onderwerpen dichterbij, zijn in het midden nog mooi scherp maar naar de randen toe wordt alles al snel wat wollig.
Met niet teveel tegenlicht hebben de negatieven een mooi contrast en er is nergens sprake van storende vertekening. Een paar negatieven vertonen een beetje bewegingsonscherpte, een vaste sluitertijd van 1/30e seconde is eigenlijk net iets te lang om probleemloos uit de hand te fotograferen. 

Het is altijd leuk als je met een camera met zo weinig mogelijkheden toch nog een geslaagde foto weet te maken. Dat lukt alleen als de omstandigheden een beetje meewerken en redelijk constant zijn, anders is een camera met meer mogelijkheden beter op zijn plaats. Maar bij goed weer kan je best een paar mooie foto's maken met een boxcamera, en zeker met de Box-Tengor.















donderdag 6 juni 2013

Agfa Optima Sensor Electronic




Ik heb lang gedacht dat alle Agfa-camera's met een oranje 'Sensor'-ontspanknop  vooral consumentencamera's waren voor 110- of 126-cassettefilm. Dat leek mij niet echt interessant en niet alleen omdat de films nauwelijks meer te vinden zijn. Maar aan het einde van de jaren '70 bleek er ook nog een heel aardige serie kleinbeeldcamera's te zijn gemaakt waarvan het topmodel zelfs een echte meetzoeker was. Dat maakte het een stuk interessanter ook al was die meetzoeker erg zeldzaam. Een eenvoudiger model was sneller gevonden, de Agfa Optima Sensor Electronic.

Agfa was eerst en vooral fabrikant van film en fotografisch papier, de productie van camera's kwam op het tweede plan. Uitgangspunt was dat fotografie voor een groot publiek toegankelijk moest zijn, niet te duur en niet te ingewikkeld. Zo had het bedrijf een rijke historie in het produceren van goedkope box-camera's, bereikbaar voor een grote groep mensen en dus goed voor de verkoop van film.
Daarnaast had Agfa eigen laboratoria voor het ontwikkelen en afdrukken van film. De in deze afdrukcentrales opgedane ervaringen werden dan weer gebruikt om het fotograferen te vereenvoudigen. Zo kwam Agfa als eerste met een camera met belichtingsautomaat, de Optima uit 1959, waarvan in de daaropvolgende jaren een aantal varianten verscheen. De automaat zou het grote aantal over- of onderbelichtte foto's moeten beperken.

Als antwoord op de Instamatic-film van Kodak ontwikkelde Agfa de Rapid-cassette. De film werd hierbij van de ene cassette naar een andere getransporteerd waardoor terugspoelen niet meer nodig was. Een ander voordeel was dat bij het per ongeluk openen van de camera niet de hele film verloren was, de reeds belichtte beelden zaten veilig in één van de cassettes. Een nadeel was de beperkte filmlengte. Omdat er geen spoeltjes werden gebruikt werd de film voortgetrokken aan de perforatie. Bij te lange films scheurde die uit.


De grote hoeveelheid bewogen foto's die de klanten bij Agfa lieten afdrukken leidde tot de ontwikkeling van de Sensor-ontspanknop. Ten opzichte van de gangbare mechanische sluiters hoefde deze sluiter maar heel weinig en heel licht te worden ingedrukt waardoor bewegingsonscherpte werd voorkomen. Deze sluiters werden als eerste toegepast op de tweede generatie Optima's uit 1968, ontworpen in samenwerking met het ontwerpbureau Slagheck Schultes Design.
Deze Optima Sensor 200 en 500, het getal verwees naar de snelste sluitertijd,  waren strak vormgegeven camera's in klassiek chroom en zwart met bovenop de grote opvallende oranje-rode ontspanknop. Dit was niet alleen functioneel, het was ook een directe verwijzing naar de huiskleur van Agfa. Beide versies waren voorzien van een Apotar  1:2.8 / 42mm lens bestaande uit 3 elementen.

Uit ervaring wist men bij Agfa dat de meeste klanten nauwelijks afdrukken groter dan 10x15cm bestelden dus werden er ook niet zulke hoge eisen aan het objectief gesteld. In de loop van de jaren '70 kwam men van dit idee terug en dus kreeg de derde en laatste generatie Optima's de beschikking over beter glaswerk, de duurdere modellen dan toch.
De nieuwe generatie Optima's was wederom vormgegeven door Slagheck Schultes en dit keer mocht het allemaal wat onconventioneler. Het ontwerp was 'Duits' in de traditie van Bauhaus en Braun; helder, overzichtelijk en zakelijk. Dit was Design voordat dat meer betekende dan met zorg ontworpen. Het camerahuis was een rechthoekig blok met afgeronde randen. Voorop een grote ronde lens, rechts een ruime zoeker en bovenop de grote karakteristieke oranje ontspanknop. Als de camera niet mat zwart zou zijn geweest zou je kunnen denken dat het speelgoed was.

Er waren vier varianten. De eenvoudigste was de Optima Sensor 335 met een snelste sluitertijd van 1/300e seconde en een Agnatar 1:3.5 / 40 mm, een enkelvoudig gecoat lensje van 3 elementen. De Optima Sensor 535 had een snelste sluitertijd van 1/500e seconde en een betere lens, nog steeds enkelvoudig gecoat maar wel met 4 elementen, de Solitar 1:2.8 / 40 mm. Deze naam leek te verwijzen naar Solinar, Agfa's benaming voor lenzen van het Tessar-type zoals Agnatar leek op Agnar, Agfa's handelsnaam voor een enkelvoudige triplet.
De Solitar kwam terug op de Optima Sensor 1035 maar dan als Solitar S en voorzien van meervoudige coating. De snelste sluitertijd was 1/1000e seconde en als extra was de camera voorzien van een zelfontspanner.
Het topmodel kwam in 1979 uit, de Optima Sensor 1535, grotendeels identiek aan de 1035 maar in plaats van de zelfontspanner was deze camera voorzien van een meetzoeker. De andere modellen moesten het met een eenvoudige afstandschaal doen.


Ook de details waren soms wat onconventioneel. De statiefaansluiting zat rechts aan de zijkant en was gelijk de aansluiting voor een camerariem. In het filmcompartiment verdween de belichtte film onder een dekseltje, een systeem wat deed denken aan de Rapid-cassettes. In het filmcompartiment zat ook de batterijhouder voor drie PX 625 knoopcellen. De batterijen halverwege een film vervangen vereiste dus enige zorgvuldigheid. De gebruiksaanwijzing adviseerde in dit geval om de fotohandelaar te raadplegen.
Dit werd overigens ook geadviseerd in het geval er iets mis ging bij het transporteren of terugspoelen van de film. Hiervoor was een ingenieus systeem bedacht waarbij de transporthandel na het indrukken van een knop bovenop de camera veranderde in een terugspoelhandel. Een aardig idee maar misschien onnodig gecompliceerd. De verwijzing naar de fotohandelaar in de gebruiksaanwijzing gaf al aan dat het vertrouwen in deze constructie bij Agfa zelf ook niet zo groot was.

Een doorslaand commercieel succes werd deze serie niet, uit Japan kwamen voor hetzelfde geld camera's met meer mogelijkheden en betere specificaties. "Made in Germany" was niet meer voldoende als verkoopargument. In het begin van de jaren '80 werd de productie van de Agfa Sensor teruggebracht tot twee modellen, de 535 bleef maar nu onder de naam Optima Sensor Electronic, daarnaast verscheen de Optima Sensor Flash. Dit was een 535 met aangebouwde batterijhouder en opklapbare flitser, veruit de lelijkste Optima uit de serie die alle charme en elegantie van de andere modellen moest ontberen.
Later werd de productie nog overgebracht naar de Agfa-fabriek in Portugal maar dit bracht ook niet het gewenste economische voordeel en uiteindelijk werd de productie volledig gestaakt. Daarmee kwam een einde aan de rijke geschiedenis van Agfa als cameraproducent. De Optima Flash kende nog een tweede leven in China onder de naam Qingdao, maar wel nog steeds met de oranje ontspanknop van Agfa.
De Agfa Optima die ik had was dus de laatste serieuze camera die door Agfa was geproduceerd, waarschijnlijk in Portugal maar dat is nergens te zien.


Fotograferen met deze Optima is redelijk probleemloos. Volgens het internet werkt de lichtmeter ook op de alkali variant van de PX 625 en ik heb geen reden om aan te nemen dat het niet zo is. De belichting is volledig automatisch en dat gaat meestal goed. Alleen met tegenlicht heeft de automaat wat moeite, maar dat is inherent aan het systeem van licht meten. Je hebt nauwelijks een idee wat de camera doet en dat is soms jammer, maar je kan er ook niets aan beïnvloeden dus je hoeft je er ook niet druk over te maken. 
De afstand kan je instellen door uit drie symbooltjes te kiezen maar onderop de lens staat een meer nauwkeurige afstandenschaal van 0.9 m tot oneindig. Dat is soms handig maar meestal volstaan de symbolen.
Het terugspoelen van de film is, zoals verwacht, niet helemaal probleemloos maar het is uiteindelijk wel gelukt en de foto's zien er, op 10x15cm, goed uit. De beelden zijn over het algemeen mooi scherp. Alleen bij weinig licht en dus grotere diafragmaopeningen is er sprake van enige lichtafval in de hoeken en ook de scherpte wordt hier wat minder. Aan de negatieven is te zien dat de film niet altijd even vlak in de camera ligt, ook dat kan meespelen bij de mindere kwaliteit bij weinig licht.


Op zich is deze Agfa Optima een prettige camera om bij je te hebben als je gewoon wat foto's wilt maken maar geen zin hebt om veel zelf in te stellen. Zeker als het mooi weer is. De camera is compact en overzichtelijk en ziet er bovendien leuk 'retro' uit. En om in stijl te blijven, er wordt nog steeds kleurenfilm verkocht onder de naam Agfa al komt die tegenwoordig wel uit Japan.











vrijdag 25 januari 2013

Cragstan Snappy Camera



Twee kwartjes was de groothandelsprijs van de Snappy Camera in de jaren '60.
De productiekosten lagen nog een stuk lager en ook in het ontwerp was nauwelijks geïnvesteerd. Gemaakt van het goedkoopste plastic leek het eerder op een stuk  speelgoed dan op een camera maar toch was het mogelijk om er foto's mee te maken. Foto's met een heel eigen karakter, dat wel. Het was geen camera voor fotografen die veel belang hechtten aan scherpte. De Snappy gaf een nogal impressionistisch beeld van de werkelijkheid. Maar dat was meteen het sterke punt van deze camera die vooral bekend is geworden onder de naam Diana.

Overigens heeft de camera nog veel meer verschillende namen gehad waaronder Anny, Arrow, Asiana, Banier, Banner, Debonair, Dionne, Dories, Justen, Lina, Megamatic, Merit, Mirage, Panax, Phton 120, Pionier, Raleigh, Reliance, Rosko, Rover, See, Shakeys, Stellar, Windsor, Traceflex, Tru-View, Zip en Zodiac.


De meeste van deze camera's kwamen uit The Great Wall Plastic Factory in Hong Kong maar ook andere fabrieken in China produceerden soortgelijke camera's in meer of minder aangepaste vorm. De Diana camera's van de Lomographic Society vormen de meest recente verschijningsvorm van deze camera. 

Ik kwam de Snappy tegen op een rommelmarkt in originele verpakking met gebruiksaanwijzing en lensdop voor €1. Er zat ook nog een film in, een Agfa Isopan ISS. Iemand had dus aan het eind van de jaren '60 serieus geprobeerd te fotograferen met deze camera. Dat was niet gelukt.

De verpakking beloofde nog heel wat; 'With Instant & Bulb Shutter, Variable Aperture, Distance Ranges". En alles klopte. De sluiter had twee instellingen, B(ulb) voor tijdopnamen en I(nstant) voor momentopnamen. De sluitertijd zou ergens rond 1/125e seconde liggen maar dat was afhankelijk van de kwaliteit van het gebruikte veertje. Er waren 3 diafragma-instellingen, voor mooi, bewolkt of somber weer, globaal F:19, F:13 en F:8. Dit gebeurde met een revolverdiafragma dat als het mee zat midden achter de lens bleef staan.
De camera had drie afstandsinstellingen, 4-6 ft, 6-12 ft en 12 ft-inf(inity) (1,2-1,8m, 1,8-3,6m en 3,6m-oneindig) die ingesteld konden worden door de lens te draaien.


De lens was een zeer eenvoudige meniscus van helder plastic met een brandpunt van ongeveer 65mm. Dat kwam bij een negatiefformaat van 42 x 42 mm op 120-film redelijk overeen met de beeldhoek van een standaardlens. De beeldcirkel van deze lens was net voldoende voor dit formaat, de beeldkwaliteit niet.
Een vorm van scherpte is nog in het midden te vinden, aan de randen wordt alles flink wollig en in de hoeken wordt het beeld gewoon vaag. De hoeken vertonen alle mogelijke lensfouten en lichtafval is aanzienlijk waardoor een stevige vignetering ontstaat.


Alles aan de Snappy camera is zo ontworpen dat het nog net doet wat het moet doen. De sluiter, het diafragma en de lens, het werkt, maar alles beweegt een beetje stug en stroef. Alleen het filmtransport loopt soepel, eigenlijk iets te soepel. Al helpt het soms om de camera wat steviger vast te houden zodat de film wat strakker op het spoeltje komt. Dit voorkomt soms extra lichtvlekken bij het uitnemen van de film. Dit betekent niet dat er helemaal geen lichtvlekken kunnen ontstaan. De camera is niet helemaal lichtdicht, met name aan de onderkant. De krassen die tijdens het fotograferen op de film ontstaan zitten grotendeels naast de negatieven.


Alles bij elkaar is dit dus geen camera waar je technisch perfecte foto's van kan verwachten. Door de beperkte instelmogelijkheden kan je je volledig op het beeld concentreren. De zoeker is goed genoeg om het onderwerp in het midden te zetten en de verder kan je onbevangen fotograferen. De rest is afwachten.
En dan is het best leuk fotograferen met dit ding. De foto's hebben iets impressionistisch, een vaag artistieke weergave van de werkelijkheid. Afhankelijk van het onderwerp kan dat hele aardige resultaten geven.
Natuurlijk kan je dit soort effecten ook bereiken met een telefoon met Instagram, maar als je daar speciaal een iPhone voor moet kopen is dit soort camera een stuk leuker en goedkoper, zelfs als je die via de Lomographic Society koopt.







Een Duitse vertaling.


Ik kwam op internet een Diana-kloon tegen die ik nog niet kende, de Knips.
Leek mij een Duitse vertaling van Snappy en dat klopte. Op de transportknop stond 'Für 6x9 Film'.